Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
2.1 [de minderjarige] heeft thans haar hoofdverblijf bij haar moeder.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het huwelijk van partijen werd in 2021 ontbonden en zij oefenen gezamenlijk gezag uit over hun in 2019 geboren minderjarige kind, die haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. In het ouderschapsplan is afgesproken dat verhuizing alleen met toestemming van de andere ouder mag plaatsvinden. De moeder verzocht om vervangende toestemming om met het kind naar een andere plaats te verhuizen, welke door de rechtbank werd verleend.
De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder af te wijzen. Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was en dat de nadelen van de verhuizing, zoals verstoring van de goedlopende co-ouderschapsregeling en verminderde betrokkenheid van de vader, zwaarder wegen.
Daarnaast vond het hof dat de moeder de verhuizing niet goed had voorbereid en dat het belang van het kind bij continuïteit en contact met beide ouders voorop staat. Het verzoek om de zorgregeling te wijzigen werd daarom eveneens afgewezen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek van de moeder af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verhuizen af en vernietigt de bestreden beschikking.