De zaak betreft het beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant om de terbeschikkingstelling (TBS) van de terbeschikkinggestelde met één jaar te verlengen. Het hof heeft de zaak inhoudelijk behandeld en daarbij ook aanvullende rapportages en adviezen van de kliniek en externe deskundigen betrokken.
De terbeschikkinggestelde kampt met een complexe psychiatrische problematiek, waaronder een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken, een depressieve stoornis, een kortdurende psychotische stoornis, ADHD en middelengebruikstoornissen. De behandeling gericht op vermindering van het recidivegevaar is tot op heden niet succesvol geweest, en ook de pogingen om zijn depressieve stoornis te behandelen hebben geen positieve resultaten opgeleverd.
De rechtbank had de TBS met één jaar verlengd in de verwachting dat er binnen dat jaar mogelijk vooruitgang zou zijn. Het hof oordeelt echter dat dit te optimistisch is en dat de problematiek complexer is geworden. De adviezen van de kliniek en pro justitia rapporteurs zijn eensgezind: een verlenging van twee jaar is noodzakelijk om de behandeling en resocialisatie adequaat voort te zetten.
De terbeschikkinggestelde zelf heeft aangegeven een traject bij het expertisecentrum voor euthanasie te zijn gestart en kan zich verenigen met een verlenging van twee jaar, wat hem meer rust geeft. Het hof vernietigt daarom de eerdere beslissing van de rechtbank en verlengt de terbeschikkingstelling met twee jaar.