ECLI:NL:GHARL:2023:7612

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 september 2023
Publicatiedatum
12 september 2023
Zaaknummer
Wahv 200.325.136
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor vasthouden mobiel tijdens rijden zonder staandehouding

De betrokkene kreeg een boete van €240 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 8 juni 2020 in Oss. De betrokkene stelde dat de ambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, mede vanwege tegenstrijdigheden in de verklaring van de ambtenaar en het ontbreken van het aanvullend proces-verbaal.

Het hof stelde vast dat het aanvullend proces-verbaal inmiddels bekend was en dat de ambtenaar gedetailleerd en consistent had verklaard dat hij in burgerkleding in een onopvallende politieauto een heimelijke observatie uitvoerde. Hierdoor was staandehouding niet mogelijk zonder de actie in gevaar te brengen. De bestuurder reed stapvoets en de ambtenaar kon ongeveer 15 seconden lang duidelijk zien dat de bestuurder een mobiel vasthield.

Het hof oordeelde dat de sanctie terecht was opgelegd op grond van artikel 5 Wahv Pro, maar matigde het boetebedrag met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard.

Uitkomst: Sanctie voor vasthouden mobiel tijdens rijden gematigd tot €180 wegens overschrijding redelijke termijn en omstandigheden die staandehouding onmogelijk maakten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.325.136/01
CJIB-nummer
: 234091589
Uitspraak d.d.
: 12 september 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 12 december 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 juni 2020 om 16.22 uur op de locatie Bevrijdingshof in Oss met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de mededeling van de ambtenaar dat hij bezig was met een actie die niet afbreekbaar was, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden. Het aanvullend proces-verbaal waarnaar de kantonrechter verwijst en waaruit zou blijken dat sprake was van een heimelijke actie heeft de gemachtigde nooit ontvangen. Er is dan ook onvoldoende komen vast te staan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De gemachtigde verwijst hierbij naar een uitspraak van dit hof met het kenmerk ECLI:NL:GHARL:2021:843 en een niet gepubliceerde uitspraak met het kenmerk Wahv 200.243.105. Verder stelt de gemachtigde dat er een tegenstrijdigheid in de verklaring van de ambtenaar zit. Hij acht het ongeloofwaardig dat de ambtenaar 15 seconden lang in het voertuig van de betrokkene heeft kunnen kijken, terwijl dit voertuig de ambtenaar uit tegengestelde richting voorbij kwam rijden. Aan de verklaring(en) van de ambtenaar kan dan ook niet de waarde worden gehecht zoals de kantonrechter heeft gedaan.
3. Het hof stelt vast dat de advocaat-generaal een kopie van het aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar als bijlage bij het verweerschrift heeft gevoegd, zodat het hof het er voor houdt dat de gemachtigde (inmiddels) kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van dit proces-verbaal.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb de bestuurder van het genoemde voertuig niet kunnen staandehouden. Omdat ik bezig was met een actie die niet afbreekbaar was, kon ik de bestuurder geen stopteken geven. Ik zag dat de bestuurder van het genoemde voertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon met de linkerhand vasthield. Ik zag namelijk dat de bestuurder mij in tegengestelde richting voorbij reed waarbij zij een mobiele telefoon ter hoogte van het stuur vasthield en daarop keek. Ik heb deze waarnemingen gedaan door het genoemde voertuig mij langzaam voorbij reed, waarbij ik 15 seconden duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kon kijken.”
5. Zoals hiervoor is overwogen bevat het dossier verder een aanvullend proces-verbaal. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:
“Op 8 juni 2022 (het hof begrijpt: 8 juni 2020) om 16.22 uur zat ik in burgerkleding in een onopvallende auto van de politie. Deze auto stond geparkeerd op het Bevrijdingshof in Oss. Ik was op dat moment een woning aan het observeren waar het arrestatieteam later die middag een verdachte zou gaan aanhouden. Mijn taak was op dat moment om vast te stellen of er personen aan de voorzijde van deze woning in- of uitgingen. Dit moest heimelijk gebeuren, waardoor ik de auto niet kon verlaten en mezelf niet kenbaar kon maken als ambtenaar van politie. Ik was op dat moment de enige die bezig was met deze taak. Tijdens deze postactie heb ik vastgesteld dat een vrouwelijke bestuurder een telefoon vasthield tijdens het besturen van een personenauto. Ik zag de bestuurster vanuit de straat stapvoets naar mij toerijden en vervolgens langs het voertuig reed waar ik in zat. Ik had goed zicht op de bestuurster en zag ongeveer 15 seconden lang dat zij een telefoon in haar hand vasthield. Om bovengenoemde redenen heb ik de bestuurster niet staande gehouden, maar heb ik deze bekeuring op kenteken uitgeschreven.”
6. Het hof is van oordeel dat ambtenaar voldoende duidelijk en gedetailleerd heeft verklaard over wat hij heeft waargenomen en dat geen sprake is van tegenstrijdigheden tussen de aanwezige verklaringen. Ook volgt het hof niet de stelling van de gemachtigde dat het ongeloofwaardig is dat de ambtenaar 15 seconden lang in het voertuig van de betrokkene heeft kunnen kijken. Daartoe wordt allereerst overwogen dat de door de ambtenaar genoemde 15 seconden een schatting is. Daarnaast volgt uit de verklaringen van de ambtenaar dat de bestuurster stapvoets reed, zij uit tegenovergestelde richting kwam rijden en dat het voertuig van de ambtenaar stilstond.
7. Gelet op het voorgaande ziet het hof dan ook geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van de ambtenaar te twijfelen. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. De hiervoor weergegeven inhoud van het zaakoverzicht en de aanvullende verklaring van de ambtenaar sluiten de feitelijke mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurster van het voertuig niet uit, maar deze mogelijkheid moet ook reëel zijn. Uit het relaas van de ambtenaar blijkt dat het risico bestond dat de heimelijke observatie waarmee hij op dat moment (als enige) was belast bij een eventuele staandehouding van de bestuurster van het voertuig in gevaar zou komen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de bestuurster van het voertuig doorreed, de ambtenaar in burger was gekleed en hij de beschikking had over een onopvallend dienstvoertuig.
Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de ambtenaar niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van staandehouding van de bestuurster van het voertuig. De verwijzing door de gemachtigde naar de door het hof gewezen arresten treft geen doel, aangezien die uitspraken niet op vergelijkbare situaties zien. De sanctie is terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
10. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
11. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. overweging 26 van voormeld arrest van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 180,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.