Uitspraak
1.[appellant] ,
[appellanten]en ieder afzonderlijk
de heer en mevrouw [appellanten],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerden]en ieder afzonderlijk
[geïntimeerde1]en
[geïntimeerde2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de bestemming van de opbrengst van twee panden na parate executie centraal. De panden waren in hypotheek gegeven door twee vennootschappen, ACS en WenM, die gezamenlijk en afzonderlijk schulden hadden bij appellanten. De discussie betreft in hoeverre de opbrengst van de panden de schulden van ACS heeft afgelost, met name de schuld waarvoor geïntimeerden borg stonden.
De feiten betreffen leningen verstrekt door appellanten aan ACS en WenM, borgstellingen door geïntimeerden, en de verkoop van de panden na faillissement van ACS en WenM. De rechtbank had geoordeeld dat de opbrengst slechts voor 41,43% aan ACS kon worden toegerekend, en stelde vast welke bedragen geïntimeerden nog verschuldigd waren.
Het hof bevestigt dat de opbrengst niet uitsluitend aan WenM-schulden kan worden toegerekend, maar dat alle schulden van beide vennootschappen onder de hypotheek vallen en de opbrengst naar evenredigheid moet worden verdeeld. Ook wijst het hof het verweer af dat de borgtocht de schuld minder bezwarend maakt. De schuld waarvoor borg stond blijft volledig van kracht, inclusief wettelijke rente vanaf 11 november 2020.
Het hoger beroep slaagt slechts deels en op een ondergeschikt punt. Het hof vernietigt een deel van het vonnis van de rechtbank en verklaart voor recht welke bedragen geïntimeerden aan appellanten verschuldigd zijn, met rente. De proceskosten worden aan appellanten opgelegd, maar gesteld op nihil wegens verstek van geïntimeerden.
Uitkomst: Het hof verklaart voor recht dat geïntimeerden samen nog een schuld hebben van € 94.067,78 plus wettelijke rente, en wijst het meer gevorderde af.