Uitspraak
[appellant] ,
1.Noord-Nederlandse Vastgoed B.V.,
4. [geïntimeerde4] ,
NNV c.s., respectievelijk
NNV,
[geïntimeerden2 t/m 4]( [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] ) en
[geïntimeerde5],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond centraal of de huurder, die woningen met toestemming had onderverhuurd aan buitenlandse arbeidskrachten, vanwege de coronacrisis en het vertrek van deze arbeidskrachten recht had op huurkorting of ontbinding van de huurovereenkomst. De huurder kon de huur niet meer betalen en beriep zich op onvoorziene omstandigheden volgens artikel 6:258 BW Pro.
De kantonrechter had de huurder veroordeeld tot betaling van de openstaande huur en kosten. In hoger beroep stelde de huurder nieuwe vorderingen tot wijziging of ontbinding van de huurovereenkomsten en huurkorting, maar het hof oordeelde dat deze nieuwe vorderingen niet voor het eerst in hoger beroep mogen worden ingesteld en dat de stelplicht voor onvoorziene omstandigheden niet was voldaan.
Het hof overwoog verder dat de huurovereenkomsten dateren van na het uitbreken van de pandemie en voorzien in een korte opzegtermijn, die de huurder niet heeft benut. Ook had de huurder geen moeite gedaan om nieuwe onderhuurders te vinden. Het beroep op onvoorziene omstandigheden werd daarom afgewezen.
Het hoger beroep werd verworpen en de huurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep van de huurder af.