ECLI:NL:GHARL:2023:8021

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
200.330.080
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing kinderen bij vader wegens zorgen en moeizame samenwerking moeder

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die machtiging gaf tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen bij hun vader. De ouders zijn gezamenlijk gezaghebbend, maar de kinderen wonen sinds mei 2023 bij de vader. De moeder betwist de uithuisplaatsing en verzoekt om terugplaatsing van de kinderen.

Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing zijn vervuld. De zorgen betreffen niet alleen de woonomstandigheden bij de moeder, maar ook het voortijdig beëindigen van hulpverlening en meerdere zorgmeldingen over de lichamelijke, cognitieve en sociale ontwikkeling van de kinderen. De samenwerking met de moeder verloopt moeizaam, waardoor het opstellen van een plan van aanpak niet is gelukt.

De moeder toont onvoldoende probleeminzicht, terwijl de kinderen zich goed ontwikkelen bij de vader, die samenwerkt met jeugdbescherming en hulpverlening. De kinderen verblijven niet in een pleeggezin of instelling, maar in een stabiele thuissituatie bij de vader. Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de kinderrechter en compenseert de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.330.080
(zaaknummer rechtbank Gelderland 416955)
beschikking van 26 september 2023
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder: de moeder,
advocaat: mr. E.R.T. Tromp te Nijmegen,
en
raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats1] ,
verder: de vader,
advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer te Apeldoorn
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
handelend onder de naam
Jeugd Veilig Verder,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 5 april 2023 en 24 mei 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 24 mei 2023 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 juli 2023;
  • het verweerschrift van de vader met producties;
  • het verweerschrift van de raad;
  • een journaalbericht van mr. Tromp van 15 augustus 2023 met een productie, en
  • een journaalbericht van mr. Tromp van 30 augustus 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 september 2023 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • een vertegenwoordiger van de raad,
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2017,
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2019, en
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2020.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van 5 april 2023 heeft de kinderrechter de kinderen met ingang van 5 april 2023 en tot 5 april 2024 onder toezicht gesteld van de GI en het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden.
3.3
De kinderen wonen sinds 25 mei 2023 bij de vader.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de andere ouder met gezag (de vader) verleend met ingang van 24 mei 2023 tot (het hof begrijpt:) 24 november 2023 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
4.2
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de kinderen per direct bij de moeder terug worden geplaatst.
4.3
De raad en de vader voeren verweer. De raad vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, de vader vraagt de moeder niet ontvankelijk te verklaren dan wel alle - het hof leest: ‑ verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten om de kinderen uit huis te plaatsen. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.3
Het hof onderschrijft de verklaring van de raad tijdens de mondelinge behandeling dat de zorgen niet alleen zien op de spullen in het huis en hoe het huis eruit ziet, maar ook op de omstandigheden dat de hulpverlening door Curess voortijdig is geëindigd en er veel zorgmeldingen over de kinderen zijn gedaan. Er zijn zorgen over de kinderen op het gebied van hun lichamelijke, cognitieve en sociale ontwikkeling. Daarbij komt dat de samenwerking met de moeder bijzonder moeizaam verloopt. Het is de GI nog niet gelukt om een plan van aanpak op te stellen, omdat gesprekken met de moeder voortijdig moeten worden beëindigd door hoog oplopende emoties bij de moeder (en grootmoeder aan moederszijde).
Uit de verklaring van de moeder tijdens de mondelinge behandeling dat zij bereid is om hulpverlening met praktische zaken in haar huishouden te aanvaarden laat zien dat zij - naar het oordeel van het hof - de ernst van de problemen niet of in elk geval niet voldoende inziet.
5.4
Het hof overweegt tot slot dat de kinderen nu bij de vader met gezag wonen en dus niet zijn geplaatst in een pleeggezin of binnen een instelling. De kinderen ontwikkelen zich goed bij de vader en de vader werkt samen met zowel de jeugdbeschermers en de hulpverlening. Dat (ook) zijn partner en zijn ouders een deel van de zorg voor de kinderen op zich nemen omdat de vader werkt, leidt niet tot het oordeel dat de kinderen niet op een geschikte plek wonen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 24 mei 2023;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 26 september 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.