ECLI:NL:GHARL:2023:8102

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 september 2023
Publicatiedatum
27 september 2023
Zaaknummer
Wahv 200.321.940/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 19 RVV 1990Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor overschrijding doorgetrokken streep met matiging wegens termijnoverschrijding

De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €140 wegens het overschrijden van een doorgetrokken streep op 6 november 2020 in Amsterdam. De betrokkene erkende de gedraging maar voerde aan dat dit een schrikreactie was vanwege onvoorspelbaar rijgedrag van een voorligger. De ambtenaar die het proces-verbaal opmaakte verklaarde dat er geen direct gevaar was en dat de betrokkene geen geldig excuus had om de doorgetrokken streep te passeren.

Het hof oordeelde dat de gedraging vaststaat en dat de betrokkene had moeten anticiperen door voldoende afstand te houden, zoals voorgeschreven in artikel 19 RVV Pro 1990. De schrikreactie werd niet als rechtvaardiging aanvaard. Wel stelde het hof ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden, waardoor de sanctie met 25% werd gematigd.

Daarnaast werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €837 vanwege de termijnoverschrijding. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard, met een aangepaste sanctie van €105. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op 27 september 2023.

Uitkomst: Sanctie voor overschrijding doorgetrokken streep gematigd naar €105 wegens overschrijding redelijke termijn; proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.940/01
CJIB-nummer
: 237579317
Uitspraak d.d.
: 27 september 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is Strafrechtswinkel Amsterdam, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 september 2023. De betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam1] , werkzaam bij de Strafrechtswinkel Amsterdam. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor:
“als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in een richting)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 november 2020 om 10:43 uur op de Nieuwe Leeuwarderweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene heeft de doorgetrokken streep overschreden, maar de gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet anders had kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Het voertuig voor het voertuig van de betrokkene reed erg onvoorspelbaar en gevaarlijk, zette plotseling zijn alarmlichten aan en minderde vaart. In een schrikreactie heeft de betrokkene zijn voertuig naar de andere rijbaan verplaatst om het voertuig voor hem te ontwijken. Hierbij heeft de betrokkene de doorgetrokken streep overschreden. De betrokkene heeft eerder meegemaakt dat een soortgelijke verkeerssituatie leidde tot een ernstig ongeluk, waardoor de schrikreactie goed te verklaren is. Volgens de gemachtigde is het aanvullend proces-verbaal onvoldoende betrouwbaar, nu de ambtenaar verklaart dat de gedraging lang geleden heeft plaatsgevonden en hij de situatie zich niet meer goed kan herinneren. De ambtenaar verklaart dat de betrokkene niet in direct gevaar is gekomen door het plotseling remmen en aanzetten van de alarmlichten van de voorligger, maar hij bevond zich te ver van het voertuig van de betrokkene af om dit goed te kunnen waarnemen.
3. In artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) is bepaald dat een bestuurder in staat moet zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.
4. In een aanvullend proces-verbaal van 4 september 2021 verklaart de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende:
“Op 22 juli 2021 kreeg ik het verzoek tot een proces-verbaal met aanvullende informatie. Dit omdat betrokkene tegen zijn proces-verbaal in verzet is gegaan. Gezien de tussentijd, circa acht maanden, weet de verbalisant niet meer precies wat de toedracht is. Onderstaande lezing is hoe verbalisant het zich herinnert:
Op vrijdag 6 november 2020 omstreeks 10:40 reed ik in de IJtunnel. Ik reed op de linker rijstrook, komende van de richting ‘centrum’ gaande in de richting ‘noord’. Ik zag dat verderop in de IJtunnel meerdere auto’s reden. Op een gegeven moment zag ik in de verte alarmlichten aangaan. Ik zag dat er tevens remlichten zichtbaar waren. Hierop zag ik dat de auto, die achter de veroorzaker van de rem- en alarmlichten reed, direct via de linkerzijde inhaalde en de auto voorbij reed. Dit gebeurde direct en er zat nog geen twee seconden tussen de rem- en alarmlichten en het inhalen. Gezien naar de mening van de verbalisant de betrokkene niet in direct gevaar was voor de voorligger en niet de tijd had genomen om te kijken wat er precies aan de hand was, vond ik dat de betrokkene geen geldig excuus had om de doorgetrokken streep te passeren. De voorganger leek niet plots tot stilstand te komen. Hierop heb ik een proces-verbaal uitgeschreven voor het inhalen over de doorgetrokken streep.”
5. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren na constatering van een gedraging aantekeningen maken van hun waarneming, die zij raadplegen als later om een aanvulling wordt verzocht. Het hof ziet hierin ook geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de ambtenaar. Gezien de uitgebreide verklaring van de ambtenaar is het bovendien niet aannemelijk dat hij de situatie niet goed heeft kunnen waarnemen.
6. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging wordt erkend, is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op hetgeen wordt aangevoerd dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten.
7. Hoewel een schrikreactie in deze situatie niet geheel onbegrijpelijk is, mag van een bestuurder worden verwacht dat hij tijdig en op de juiste wijze anticipeert op verkeerssituaties. Gelet op het bepaalde in artikel 19 van Pro het RVV 1990 dient een bestuurder van een voertuig voldoende afstand te houden tot een voorligger zodat hij tijdig kan afremmen wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Kennelijk heeft de betrokkene dit in het onderhavige geval niet gedaan. De gevolgen daarvan komen voor rekening van de betrokkene. Overigens heeft de ambtenaar verklaard dat de voorligger niet plotseling tot stilstand is gekomen en er niet direct gevaar was voor de betrokkene. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene niet anders kon handelen dan uitwijken en vervolgens de hem verweten gedraging moest verrichten. De grond faalt. Dit betekent dat er geen reden is om de sanctie achterwege te laten of om deze reden te matigen.
8. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 17 november 2020 aan de betrokkene toegezonden en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 1 december 2022.
9. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft op de zitting verzocht te volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn is weliswaar overschreden in eerste aanleg, maar de totale duur van de procedure betreft niet meer dan 4 jaar. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal ziet daarom geen reden tot matiging van het sanctiebedrag.
10. Het hof ziet geen reden af te wijken van het arrest van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent.
11. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 10 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen op de zitting van het hof dienen 2 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 837,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd
in € 105,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest te ondertekenen.