ECLI:NL:GHARL:2023:822

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2023
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
21-005423-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Wet forensische zorgArt. 24 Wet Zorg en DwangArt. 27 Wet Zorg en DwangArt. 28a Wet Zorg en Dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek en rechterlijke machtiging Wet Zorg en Dwang in hoger beroep

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 januari 2023 een tussenarrest gewezen in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Het hof heeft ambtshalve een rechterlijke machtiging afgegeven op grond van de Wet Zorg en Dwang, mede vanwege de complexe uitvoerbaarheid van deze machtiging en de opname van verdachte in een geregistreerde accommodatie.

De zaak kent een lange procedure met meerdere zittingen en tussenarresten waarin het hof het openbaar ministerie opdroeg aanvullende medische verklaringen en adviezen van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) te overleggen. Het hof heeft deskundigen en getuigen gehoord, waaronder een psychiater, een juridisch adviseur van het CIZ en de curator-mentor van verdachte.

De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van negen maanden en een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Namens verdachte werd primair gevraagd om ambtshalve een rechterlijke machtiging op te leggen. Het hof concludeerde dat aan de voorwaarden voor deze machtiging was voldaan en gaf deze bij separate beschikking af.

Vanwege onzekerheid over de plaatsingsmogelijkheden en opnamecapaciteit wordt het onderzoek geschorst voor maximaal drie maanden. Het hof bepaalt dat het onderzoek wordt hervat zodra duidelijkheid bestaat over de uitvoering van de machtiging. Tevens wordt de oproeping van verdachte en een Italiaanse tolk bevolen voor een nader te bepalen datum.

Uitkomst: Het hof gaf ambtshalve een rechterlijke machtiging af en heropent het onderzoek, dat wordt geschorst tot uitvoering van de machtiging mogelijk is.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005423-21
Uitspraak d.d.: 30 januari 2023
TEGENSPRAAK
Tussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 7 december 2021 met parketnummer 18-110096-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( Joegoslavië ) op [geboortedag] 1970,
thans verblijvende in [PI] te [plaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 9 mei 2022, 20 juli 2022 en 16 januari 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, en oplegging van een niet gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, naar voren is gebracht.

Heropening

In het tussenarrest van 16 mei 2022 heeft het hof beslist dat het openbaar ministerie de mogelijkheden voor een rechterlijke machtiging in het kader van de ambtshalve toepassing van artikel 2.3 Wet forensische zorg juncto artikel 28a Wet Zorg en Dwang en het daarbij voor verdachte passende beveiligingsniveau 3 of 4 verdergaand zal onderzoeken en te dier zake een rechterlijke machtiging voor zal bereiden, met toepassing van het bepaalde in artikel 28a Wet zorg en dwang.
In het tussenarrest van 3 augustus 2022 heeft het hof overwogen dat het openbaar ministerie, door enkel de brief van 18 juli 2022 van officieren van justitie Brontsema en Scholte over te leggen, in onvoldoende mate heeft voldaan aan voornoemde opdracht van het hof. In genoemde brief is kortgezegd aangegeven dat Trajectum is aangezocht tot het opstellen van een medische verklaring, dat mevrouw [arts trajectum] van Trajectum op 1 juli 2022 te kennen heeft gegeven geen medische verklaring af te kunnen geven voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging en dat de procedure aldus in een impasse is geraakt. De procedure heeft evenmin geleid tot de afgifte van een advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ).
Het hof heeft bij tussenarrest van 3 augustus 2022 het openbaar ministerie opgedragen alle onderliggende stukken met betrekking tot het verzoek aan Trajectum om een medische verklaring en de onderliggende bevindingen van arts [arts trajectum] aan het hof over te leggen. Daarnaast heeft het hof het openbaar ministerie opnieuw opgedragen een onafhankelijke ter zake kundige arts een medische verklaring te laten opstellen, zoals bedoeld in artikel 27 Wet Pro zorg en dwang, en deze aan het hof over te leggen. Ook heeft het hof het openbaar ministerie opgedragen andermaal het CIZ te benaderen teneinde een advies uit te brengen en dit advies te doen overleggen. Verder heeft het hof bepaald dat de rapporterend deskundigen gehoord zullen worden, evenals de landelijk officieren van justitie verplichte zorg.
In aanloop naar de zitting van 16 januari 2023 heeft het hof een medische verklaring ontvangen en een advies van het CIZ. Vervolgens heeft het hof bij voorzittersbeslissingen van 20 en 22 december 2022 bepaald dat ter zitting als getuige dan wel deskundigen worden gehoord:
 drs. V.J. Le Maire, psychiater NIFP;
 mw. A. Jansen , juridisch adviseur Wzd van het CIZ en
 dhr. [curator-mentor] , curator-mentor van verdachte.
Deze getuige dan wel deskundigen zijn ter terechtzitting ook gehoord.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, en oplegging van een niet gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
Namens verdachte is primair bepleit om ambtshalve een rechterlijke machtiging ingevolge de Wet Zorg en Dwang op te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft vastgesteld dat verdachte voldoet aan alle voorwaarden om ambtshalve een rechterlijke machtiging af te geven op grond van artikel 24 van Pro de Wet Zorg en Dwang jo. artikel 2.3, tweede lid, van de Wet forensische zorg. Het hof heeft bij separate beschikking d.d. 30 januari 2023 zaaknummer 200.313.347/01 ambtshalve een rechterlijke machtiging afgegeven. In afwachting van de tenuitvoerlegging van die beschikking en de opname van verdachte in een geregistreerde accommodatie zal het onderzoek worden heropend. Gebleken is dat de uitvoerbaarheid van de rechterlijke machtiging complex is in verband met opnamecapaciteit c.q. plaatsingsmogelijkheden, waardoor thans onzekerheid bestaat of de rechterlijke machtiging daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gelegd. In zoverre is het onderzoek onvolledig geweest.
Om de klemmende reden dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling van de zaak niet toelaat en niet te verwachten valt dat er eerder duidelijkheid zal zijn over de uitvoering van de rechterlijke machtiging, zal het onderzoek langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden worden geschorst.
Voorts merkt het hof op dat voor de uitvoering van de rechterlijke machtiging is vereist dat er een indicatiebesluit op grond van de Wlz is afgegeven door het CIZ. Zoals door mevr. Jansen van het CIZ is toegelicht ter zitting kan het afgeven van een indicatiebesluit snel gaan. Een aanvraag doen is de eerste belangrijkste stap. Als een indicatiebesluit nog niet is afgegeven maar wel in de lijn der verwachting ligt dat deze wordt afgegeven dan zou een plaatsing wel al kunnen plaatsvinden.

BESLISSING

Het hof:
Heropent het onderzoek.
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Om de klemmende reden dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling van de zaak niet toelaat en niet te verwachten valt dat er eerder duidelijkheid zal zijn over de uitvoering van de rechterlijke machtiging, zal het onderzoek langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden worden geschorst.
Beveelt de oproeping van de verdachte en een tolk in de Italiaanse taal tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de verdachte.
Aldus gewezen door
mr. F. van der Maden, voorzitter,
mr. E.M.J. Brink en mr. M.B. de Wit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 30 januari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.