ECLI:NL:GHARL:2023:8357

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.319.237/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter en matiging bestuursrechtelijke sanctie wegens mobiel vasthouden tijdens rijden

De betrokkene werd door de officier van justitie een bestuursrechtelijke sanctie opgelegd van €240 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 28 mei 2020 op de A12 te Woerden. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees een verzoek tot proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de kantonrechter de behandeling had moeten aanhouden omdat ter zitting een aanvullend proces-verbaal werd overgelegd dat nader onderzoek vereiste. Het hof oordeelde dat het niet aanhouden van de behandeling in strijd was met het beginsel van hoor en wederhoor, waardoor de beslissing van de kantonrechter niet in stand kon blijven.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde het beroep zelf. De betrokkene voerde aan dat hij geen mobiel vasthield en stelde vragen over de vraagstelling van de officier van justitie bij het opvragen van het proces-verbaal. Het hof vond echter geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen en verwierp de bezwaren.

Wel stelde het hof ambtshalve vast dat de redelijke termijn was overschreden en matigde de sanctie met 25%, waardoor het bedrag werd verlaagd naar €180. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene van €837.

Uitkomst: De sanctie voor het vasthouden van een mobiel tijdens het rijden is gematigd van €240 naar €180 en de beslissing van de kantonrechter is vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.319.237/01
CJIB-nummer
: 233890113
Uitspraak d.d.
: 5 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 22 september 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter de behandeling van de zaak had moeten aanhouden. Pas ter zitting van de kantonrechter is een nader proces-verbaal overgelegd. Dit proces-verbaal vergde nader onderzoek De gemachtigde heeft verzocht om aanhouding omdat het in strijd met de goede procesorde is om te verwachten daar aanstonds op te kunnen reageren.
2. Deze grond slaagt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de gemachtigde ter zitting van
de kantonrechter door de officier van justitie - die in procedures als deze niet verplicht is om zijn standpunt voorafgaand aan de zitting kenbaar te maken en dat ook niet had gedaan - werd geconfronteerd met een aanvullend proces-verbaal, opgemaakt door de ambtenaar die de gedraging heeft vastgesteld en de sanctie heeft opgelegd. De gemachtigde wilde deze informatie graag met zijn cliënt bespreken en heeft daartoe om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht. Onder deze omstandigheden brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde, en in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor, mee dat de kantonrechter de behandeling van de zaak aanhoudt om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen - na overleg met zijn cliënt - te reageren op hetgeen door de officier van justitie nieuw in de procedure is gebracht. Een dergelijke gelegenheid kan worden geboden door -indien daarmee kan worden volstaan- de behandeling van de zaak op een later moment op dezelfde dag voort te zetten of de gemachtigde en de officier van justitie op te roepen voor een nieuwe zitting. Nu de kantonrechter dat niet heeft gedaan, kan zijn beslissing niet in stand blijven.
3. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven derhalve geen bespreking meer.
4. De bezwaren van de gemachtigde zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 mei 2020 om 15:05 uur op de Rijksweg A12 in Woerden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene geen mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. De gemachtigde zou graag de vraagstelling ontvangen waarmee de officier van justitie het aanvullend proces-verbaal heeft opgevraagd, nu gebleken is dat eerder sturende vragen zijn gesteld aan een agent bij het opvragen van een proces-verbaal. De gemachtigde verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2022. De gemachtigde acht het belangrijk om in deze zaak daar transparantie in te krijgen. De gemachtigde acht het bovendien ongeloofwaardig dat de verbalisant zich nog in detail kan herinneren wat er 2,5 jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat de verbalisant bij de gereden snelheid 3 seconden onbelemmerd in het voertuig heeft kunnen kijken.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb de bestuurder van het genoemde voertuig niet kunnen staandehouden omdat ik bezig was met de afhandeling van een melding. Ik zag dat de bestuurder van het genoemde voertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon met de linkerhand vasthield. (…) Terwijl ik stilstond kwam het betrokken voertuig met langzame snelheid voorbij rijden en ik heb daarbij 3 seconden duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kunnen kijken.”
8. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van 21 september 2022, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte verklaart:
“Op 28 mei 2020 om 15:05 uur was ik belast met de incidentenafhandeling (…). Op dat moment was ik ingezet bij een aanrijding met meerdere voertuigen op de A12 (…). Terwijl ik daar bezig was zag ik dat de bestuurder van een BMW 3-serie, voorzien van het kenteken [kenteken] , zijn telefoon vasthad in zijn linkerhand. Ik zag dat de telefoon gericht was op het ongeval. Ik kon de telefoon goed waarnemen, aangezien de bestuurder deze bij het raam aan de bestuurderszijde vast hield. Ik kon de bestuurder geen stopteken geven, gezien de snelheid die de voertuigen reden, tussen de 50 en 70 kilometer per uur, langs het ongeval. Het geven van een stopteken had niet alleen gevaar voor mijzelf maar ook voor de overige verkeersdeelnemers opgeleverd.”
9. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen of om het proces-verbaal van 21 september 2022 buiten beschouwing te laten. Het opwerpen van de suggestie dat bij het laten opstellen van het proces-verbaal door de officier van justitie sprake is geweest van sturende vragen, omdat dat in een andere zaak zou zijn gebeurd, is daartoe onvoldoende. Het hof ziet geen aanleiding om de vraagstelling door de officier van justitie te laten overleggen. De inhoud van het aanvullende proces-verbaal noopt daar niet toe. De verklaring in het aanvullende proces-verbaal is in feite een nadere uitwerking van de reeds in het zaakoverzicht opgenomen verklaring. De ambtenaar heeft in het zaakoverzicht verklaard dat hij bezig was met afhandeling van een melding, welke verklaring nader wordt toegelicht in het proces-verbaal. Ook de omstandigheid dat de ambtenaar die informatie meer dan 2 jaar na de datum van de gedraging heeft verstrekt, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van diens verklaring. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren na constatering van een gedraging aantekeningen plegen te maken van hun waarneming, die zij raadplegen als later om aanvulling wordt verzocht.
10. De bezwaren treffen derhalve geen doel.
11. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
12. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 180,00;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.