De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter waarin de voormalige bewindvoerder van twee broers werd veroordeeld wegens tekortkomingen in zijn taakuitvoering. De kantonrechter stelde vast dat de bewindvoerder niet voldeed aan de zorg van een goed bewindvoerder en legde hem schadevergoedingen op.
In hoger beroep bevestigt het hof dat de bewindvoerder op meerdere punten tekort is geschoten, zoals het niet tijdig aanvragen van bijzondere bijstand, het niet voeren van een controleerbare administratie en het te laat doorsturen van eindafrekeningen. Het hof beoordeelt per schadepost of de bewindvoerder aansprakelijk is en corrigeert enkele beslissingen van de kantonrechter waar de bewindvoerder voldoende inzicht had gegeven.
De totale schade wordt vastgesteld op €1.821,59 voor de ene broer en €1.157,91 voor de andere. Daarnaast wordt de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Het hof wijst het verzoek om een extra vergoeding voor de bewindvoerder af, omdat de extra tijdsbesteding het gevolg is van zijn eigen tekortkomingen.
De beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe beslissing, waarmee de bewindvoerder aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde schade en kosten.