ECLI:NL:GHARL:2023:8539

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 oktober 2023
Publicatiedatum
11 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.324.651/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5.18.4 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep wegens rijden met onvoldoende zicht door bevroren voorruit

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €250 wegens het rijden met onvoldoende zicht door een voorruit die voor de helft bedekt was met ijs. Dit vond plaats op 5 maart 2022 in Rotterdam. De betrokkene tekende beroep aan tegen de beslissing van de kantonrechter, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees.

De betrokkene stelde dat het bedekken van de voorruit met ijs niet automatisch betekent dat er onvoldoende zicht was. Het hof oordeelde echter dat de verklaring van de ambtenaar, die stelde dat de bestuurder zeer beperkt zicht had door het ijs, voldoende was om de overtreding vast te stellen. De kantonrechter had dit oordeel terecht geveld en het beroep daarom ongegrond verklaard.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De sanctie is gebaseerd op artikel 5.18.4 van de Regeling voertuigen, dat vereist dat de bestuurder voldoende zicht moet hebben door de voorruit en voorste zijruiten. De toelichting bij dit artikel benadrukt dat het gezichtsveld niet beperkt mag zijn, en dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

De uitspraak benadrukt dat de verklaring van de ambtenaar, die de situatie ter plaatse had waargenomen, voldoende bewijs vormt voor de overtreding. De betrokkene gaf geen argumenten die twijfel aan deze gegevens konden rechtvaardigen. Het hof concludeerde dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond had verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €250 voor rijden met onvoldoende zicht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.651/01
CJIB-nummer
: 247909467
Uitspraak d.d.
: 11 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 maart 2022 om 8:12 uur op de Homerusstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene het oordeel van de kantonrechter, dat de enkele verklaring dat de voorruit van het voertuig voor de helft met ijs was bedekt de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van onvoldoende zicht, niet kan volgen. Weliswaar was de voorruit deels bedekt met ijs, maar dat betekent niet onmiddellijk dat hij onvoldoende zicht had.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag een bedrijfsvoertuig rijden. Ik had goed zicht op het voertuig. Ik zag dat de helft van de voorruit bedekt was met een laag ijs. Ik zag dat de bestuurder hierdoor zeer beperkt zicht had.
Verklaring betrokkene: Ik had echt heel erg haast.”
5. De gedraging betreft overtreding van artikel 5.18.4, aanhef en onder a, van de Regeling voertuigen, dat luidt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…).
6. In de toelichting op deze regeling (Staatscourant 2011, 19193) staat over dit artikel onder meer het volgende:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in dit gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder.”
7. De ambtenaar verklaart dat de helft van de voorruit bedekt was met een laag ijs en dat de bestuurder hierdoor zeer beperkt zicht had. Dit wordt op zichzelf ook niet betwist. Dit is gelet op wat hiervoor is overwogen voldoende om de gedraging te kunnen vaststellen. De grond treft geen doel.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.