ECLI:NL:GHARL:2023:8578

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.325.107/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 67 RVV 1990Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren op laadplaats ondanks buiten werking zijnde laadpaal

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd wegens parkeren op een parkeerplaats bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen, terwijl het voertuig niet werd opgeladen. De betrokkene voerde aan dat de laadpaal al maanden buiten werking was en dat de parkeerplaats daardoor niet voor het aangewezen doel gebruikt kon worden. Tevens werd gesteld dat het parkeren zonder opladen gerechtvaardigd was vanwege parkeerdruk en diefstalpreventie.

De kantonrechter oordeelde dat het gebruik van de parkeerplaats voor een ander doel dan het aangegeven doel niet aan de individuele weggebruiker is en dat de sanctie terecht was opgelegd. Het hof stelde vast dat de sticker die aangaf dat de laadpaal buiten werking was, niet aanwezig was op het moment van de gedraging, waardoor het voor de ambtenaar niet duidelijk was dat de laadpaal niet werkte.

Het hof vond dat de omstandigheden niet meebrengen dat het aangewezen doel van de parkeerplaats ten tijde van de gedraging niet gold en dat het gebruik voor een ander doel niet was toegestaan. Daarom werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €100 voor parkeren op een laadplaats zonder opladen ondanks de buiten werking zijnde laadpaal.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.325.107/01
CJIB-nummer
: 245464015
Uitspraak d.d.
: 12 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “Parkeren op een parkeergelegenheid met ander doel dan aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 oktober 2021 om 10:07 uur op de Badhuiskade in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert, evenals bij de kantonrechter, aan dat de betreffende laadpaal al maanden buiten werking is. Nu de laadpaal niet kan worden gerepareerd, brengt dit volgens de gemachtigde met zich dat de parkeerplekken niet gebruikt kunnen worden voor het doel waarvoor ze ingesteld zijn. Gelet hierop en vanwege de parkeerdruk in de wijk heeft de betrokkene ervoor gekozen om op de betreffende plek te parkeren zonder het voertuig door middel van de laadkabel aan te sluiten om diefstal van die kabel te voorkomen. De stelling van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal, dat andere bestuurders door de betrokkene hun voertuig niet konden opladen, is aldus niet juist. De omstandigheden van het geval rechtvaardigen in dit geval niet de oplegging van een sanctie, zodat verzocht wordt om vernietiging van de inleidende beschikking.
3. Uit de in het dossier aanwezige foto's blijkt dat de betreffende parkeerplaats is voorzien van een bord E8 met een onderbord met de tekst: "Opladen elektrische voertuigen".
4. De kantonrechter heeft geoordeeld dat, nu de betrokkene ervoor heeft gekozen om toch ter plaatse te parkeren terwijl het voertuig niet werd opgeladen, de parkeerplaats voor een ander doel werd gebruikt dan aangewezen en dat de gevolgen van deze keuze voor rekening en risico van de betrokkene dienen te komen. Daartoe is overwogen dat de beoordeling van het gebruik van een parkeerplaats met een aangewezen doel niet toekomt aan de individuele weggebruiker. Dat aan de betrokkene wellicht geen sanctie was opgelegd als hij de laadkabel wel had aangesloten op de laadpaal en dat ter plaatse sprake is van een beperkt aantal parkeerplaatsen, maakt het voorgaande volgens de kantonrechter niet anders.
5. Uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d. ten tweede, jo. artikel 67, eerste en tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 volgt dat voor het parkeren ter plaatse ingevolge het onderbord een beperking geldt, in die zin dat de parkeerplaats uitsluitend bestemd is voor het opladen van elektrische voertuigen (vergelijk het arrest van het hof van 26 februari 2016, vindplaats rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:1519). De gemachtigde heeft in hoger beroep een foto overgelegd van de betreffende laadpaal waarop met een gele sticker is aangegeven: ‘deze laadpaal is tijdelijk buiten gebruik’. Het hof stelt vast dat op de foto’s van de gedraging is te zien dat deze sticker toen nog niet op de laadpaal was aangebracht, zodat het voor de ambtenaar ten tijde van het waarnemen van de gedraging mogelijk niet duidelijk was dat het om een laadpaal ging die niet werkte. Wat hier verder ook van zij, de namens de betrokkene aangevoerde omstandigheden brengen niet mee dat het aangewezen doel van parkeren ten tijde van de gedraging niet gold en dat aldus op andere wijze gebruik mocht worden gemaakt van de parkeerplaats. Het hof is voorts van oordeel dat de kantonrechter terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden niet meebrengen dat het opleggen van de administratieve sanctie niet billijk is en dat de sanctie terecht is opgelegd.
6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor het toekennen van proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest te ondertekenen.