ECLI:NL:GHARL:2023:8819

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 oktober 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.328.534/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:28 AwbArt. 20d WahvArt. 13a WahvArt. 9, tweede lid, aanhef en onder b WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij matiging bestuursrechtelijke sanctie

De betrokkene kreeg een sanctie van €400,- opgelegd wegens onnodig geluid veroorzaken met een motorvoertuig. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €250,- en kende een proceskostenvergoeding toe voor de beroepsfase bij de kantonrechter, maar niet voor de administratief beroepsfase. Het hof vernietigt dit besluit en overweegt dat ook de kosten van het administratief beroep vergoed moeten worden, omdat de sanctie mede is gematigd door een wijziging van het sanctiebedrag door de regelgever.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat zonder het administratief beroep de matiging niet was bereikt en dat het openbaar ministerie de zaak niet tijdig doorstuurde, wat aanleiding gaf tot een klacht bij de Nationale Ombudsman. Het hof stelt dat de ambtenaar die de sanctie oplegt niet bevoegd is om de sanctie aan te passen aan omstandigheden, waardoor rechtsmiddelen noodzakelijk zijn om billijkheid te bereiken.

Het hof geeft een ruime uitleg aan het begrip 'aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid' en vindt dat proceskosten in administratief beroep vergoed moeten worden als de sanctie wordt gematigd, ongeacht of dit door omstandigheden of door wijziging van het sanctiebedrag komt. De kantonrechter wordt daarom op dit punt vernietigd en de advocaat-generaal wordt veroordeeld tot vergoeding van €1075,50 aan proceskosten.

Uitkomst: Het hof kent proceskostenvergoeding toe voor ook de administratief beroepsfase en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van €1075,50.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.534/01
CJIB-nummer
: 244810296
Uitspraak d.d.
: 19 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 250,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 oktober 2021 om 20.24 uur op de Leigraaf in Beuningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 250,-.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet is verricht. De ambtenaar heeft alleen opgeschreven dat onnodig geluid werd veroorzaakt, maar niet duidelijk is waar dat uit blijkt.
3. De grond ten aanzien van de gedraging betreft een herhaling van wat was aangevoerd bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft die grond in diens oordeel betrokken en voldoende gemotiveerd vastgesteld dat de gedraging is verricht. Deze grond behoeft dan ook geen verdere bespreking meer. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
4. De overige gronden richten zich tegen de beslissing over de proceskostenvergoeding. De gemachtigde voert aan dat wel een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase bij de officier van justitie had moeten worden toegekend. Zonder instellen van administratief beroep had de betrokkene niet bereikt dat het sanctiebedrag werd gematigd. Daarnaast was er, als het openbaar ministerie de zaak binnen zes weken had doorgestuurd zoals bedoeld in artikel 11 van Pro de Wahv, nog geen wijziging van het sanctiebedrag geweest. Het openbaar ministerie overschrijdt die termijn structureel. Daarover loopt nog een klacht bij de Nationale Ombudsman.
5. Het hof stelt vast dat de kantonrechter ambtshalve het bedrag van de sanctie gematigd heeft omdat de regelgever het vaste sanctiebedrag behorende bij de feitcode heeft gewijzigd. Er is een proceskostenvergoeding toegekend voor het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter. Geen vergoeding is toegekend voor de proceshandelingen in de fase van administratief beroep. De kantonrechter overweegt daartoe dat, nu de sanctie uitsluitend is gematigd omdat het boetetarief is gewijzigd, er geen sprake is van een aan de officier van justitie te wijten onrechtmatigheid zoals bedoeld in artikel 7:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De jurisprudentie van het hof behoeft nuancering, aldus de kantonrechter.
6. De betrokkene is met de matiging van het sanctiebedrag in beroep bij de kantonrechter in het gelijk gesteld. Dat betekent dat aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
7. Met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding, in het bijzonder de vraag of de in administratief beroep gemaakte proceskosten (ook) voor vergoeding in aanmerking komen, overweegt het hof het volgende. Ingevolge artikel 20d, vierde lid, van de Wahv junctis de artikelen 13a van de Wahv en 7:28, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het (administratief) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
8. Vastgesteld kan worden dat sprake is van herroeping van het bestreden besluit, nu -voor zover hier van belang- het bedrag van de bij inleidende beschikking opgelegde sanctie wordt gematigd.
9. Met betrekking tot de vraag of sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid overweegt het hof - onder verwijzing naar de overwegingen 24 tot en met 26 van het arrest van 28 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6369) - dat in de Wahv de ambtenaar die de sanctie oplegt veelal een betrokkene niet hoeft te horen voordat hij een sanctie oplegt en daarnaast niet de bevoegdheid heeft om de hoogte van het bedrag van de sanctie af te stemmen op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en/of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. De ambtenaar dient toepassing te geven aan de door de regelgever vastgestelde tarieven. Eerst in administratief beroep kan de officier van justitie op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv beoordelen of oplegging van een sanctie wel billijk is en overgaan tot bedoelde afstemming. Daartoe dient een betrokkene derhalve rechtsmiddelen aan te wenden.
10. Een strikte uitleg van het begrip "aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid" zou aldus meebrengen dat in veel gevallen een rechtzoekende de kosten die hij heeft gemaakt voor de noodzakelijkerwijs in te stellen rechtsmiddelen om in het gelijk te worden gesteld, niet vergoed kan krijgen. Het hof acht dit, in aanmerking genomen dat het hier de oplegging van punitieve sancties betreft, niet juist en zal daarom aan dit begrip een uitleg geven die past bij de wijze waarop de wetgever vorm heeft gegeven aan de oplegging van sancties op grond van de Wahv. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat bij de toepassing van de Wahv behoefte bestaat aan een eenvoudige en voorspelbare regeling met betrekking tot het vergoeden van proceskosten.
11. De uitleg die het hof geeft aan het begrip "aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid" in de zin van artikel 20d, vierde lid, van de Wahv junctis de artikelen 13a van de Wahv en 7:28, tweede lid, van de Awb komt erop neer dat indien de betrokkene in het gelijk wordt gesteld doordat in administratief beroep, in beroep bij de kantonrechter of in hoger beroep, wordt bepaald dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd, dit voor de toekenning van de proceskostenvergoeding aan de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd wordt toegerekend. Dit betreft niet alleen de situatie dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht of de omstandigheden waarin de persoon van de betrokkene verkeert nopen tot de conclusie dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd, maar ook de situatie dat de regelgever hangende de beroepsprocedure de -door de ambtenaar toe te passen- sanctiebedragen heeft gewijzigd, welke wijziging, gelet op de regelgeving en jurisprudentie, genoemd in het arrest van het hof van 28 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2330) met terugwerkende kracht dient te worden toegepast.
12. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij op het verzoek om een proceskostenvergoeding is beslist en aan de betrokkene een proceskostenvergoeding toekennen waarbij ook de kosten van het administratief beroep worden vergoed.
13. Aan het indienen van een administratief beroepschrift dient een punt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,-. In de fase van het beroep bij de kantonrechter komt het indienen van een beroepschrift voor vergoeding in aanmerking. Hieraan dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt hier € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt in administratief beroep en in beroep bij kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
14. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Hier komt het indienen van een hoger beroepschrift, waaraan een punt moet worden toegekend, voor vergoeding in aanmerking.
15. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 1075,50, namelijk (1,5 x € 597,- x 0,5) + (1 x € 837,- x 0,5) + (1 x € 837,- x 0,25).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1075,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.