ECLI:NL:GHARL:2023:8844

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 oktober 2023
Publicatiedatum
20 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.322.400/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren op gehandicaptenparkeerplaats met specifiek kenteken

De betrokkene kreeg een sanctie van €380 opgelegd voor het parkeren op 22 juni 2019 op een gehandicaptenparkeerplaats die was gereserveerd voor een specifiek kenteken. Hoewel de betrokkene in het bezit was van een gehandicaptenparkeerkaart, was het voertuig niet het voor die plaats bestemde voertuig.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het bedrag van de sanctie gematigd moest worden, omdat de betrokkene tot de doelgroep behoort en per abuis parkeerde. Het hof oordeelde dat het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart geen reden is om de sanctie te matigen, omdat de parkeerplaats exclusief bestemd is voor het specifieke voertuig.

Het hof constateerde echter dat de redelijke termijn van berechting was overschreden en matigde daarom de sanctie met 25%. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: De sanctie voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats met een ander kenteken dan het gereserveerde voertuig is gematigd tot €285,00 ondanks bezit van een gehandicaptenparkeerkaart.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.322.400/01
CJIB-nummer
: 227246774
Uitspraak d.d.
: 20 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel heeft de gemachtigde het verzoek ingetrokken om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juni 2019 om 14:57 uur op de locatie Torenkwartier in Oosterhout met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene verzoekt om het bedrag van de sanctie te matigen. De betrokkene is in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart, maar heeft per abuis geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats die is gebonden aan een specifiek kenteken. Er waren 3 gehandicaptenparkeerplaatsen waarvan 1 met een onderbord met een kenteken. De betrokkene heeft dit over het hoofd gezien. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat in de hoogte van de sanctie onderscheid dient te worden gemaakt tussen mobiele verkeersdeelnemers die ten koste van de beschermde doelgroep gebruik maken van een gehandicaptenparkeerplaats en verkeersdeelnemers die tot de doelgroep behoren maar geen duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart in het voertuig aanwezig hebben.
3. Door de gemachtigde wordt niet betwist dat het voertuig van de betrokkene op voormelde datum en tijdstip op een gehandicaptenparkeerplaats stond en dat het gebruik van die gehandicaptenparkeerplaats was voorbehouden aan een ander voertuig dan dat van de betrokkene. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
4. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van dergelijke redenen.
Een ieder die aan het verkeer deelneemt dient oplettend te zijn op de aanwezige bebording en overeenkomstig deze bebording te handelen. De omstandigheid dat de betrokkene beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart maakt evenmin dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Het parkeren op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats is slechts toegestaan voor het voertuig waarvoor deze plaats gereserveerd is. De eigenaar van dat voertuig moet erop kunnen vertrouwen dat de voor hem gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats beschikbaar is. Voor het door de gemachtigde gewenste onderscheid tussen bezitters van een gehandicaptenparkeerkaart en anderen bestaat geen aanleiding.
5. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
6. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van een hoger beroepschrift dient in totaal één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 418,50.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 285,00;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 418,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.