In deze ontnemingszaak tegen betrokkene, veroordeeld voor mensenhandel, heeft het hof het vonnis van de rechtbank Gelderland vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.580,93, aanzienlijk lager dan de door de officier van justitie gevorderde bedragen rond €270.000. Dit bedrag betreft uitsluitend de kosten voor het verblijf in een hotel en huishoudelijke hulp, gemaakt door het slachtoffer tijdens de bewezenverklaarde periode van 1 oktober 2019 tot 5 oktober 2020.
De raadsman van betrokkene voerde aan dat het voordeel niet bewezen kon worden en stelde een veel lager bedrag voor, maar het hof baseerde zich op het arrest in de strafzaak en het proces-verbaal van de politie. Het hof liet buiten beschouwing de kosten die samenhingen met verbeurd verklaarde goederen en voordelen die alleen aan de dochter van betrokkene toekwamen.
Het hof legde de ontnemingsmaatregel niet hoofdelijk op, maar verdeelde het voordeel pondspondsgewijs tussen betrokkene en haar dochter. De verplichting tot betaling aan de Staat werd vastgesteld op €1.580,93. Het hof verwierp het draagkrachtverweer en wees erop dat betrokkene nog kan verzoeken om vermindering van het bedrag indien zij schadevergoedingen voldoet. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 oktober 2023.