ECLI:NL:GHARL:2023:9163

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
31 oktober 2023
Zaaknummer
200.327.595
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezag en omgang minderjarige na afwijzing gezamenlijk gezag en ontzegging omgangsrecht vader

In deze zaak staat het gezag en de omgangsregeling over een minderjarige centraal. De vader is het gezamenlijk gezag met de moeder gevraagd en tevens een omgangsregeling, maar de rechtbank heeft dit afgewezen en het omgangsrecht ontzegd. Het hof bekrachtigt de afwijzing van het gezamenlijk gezag omdat de situatie onveranderd is en er geen communicatie is tussen de ouders.

De omgangsregeling is aan de orde omdat de vader al ruim twee jaar geen contact heeft met de minderjarige. Het hof overweegt dat een omgangsregeling begeleid moet plaatsvinden gezien de kwetsbaarheid van het kind en de voorgeschiedenis van huiselijk geweld en toezicht. Omdat onvoldoende informatie beschikbaar is, wordt de zaak aangehouden en de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van omgang.

De behandeling wordt voortgezet na ontvangst van het rapport, waarbij partijen en de raad worden opgeroepen. Het hof benadrukt het belang van het welzijn van de minderjarige en de noodzaak van een zorgvuldige aanpak van omgangsregelingen in complexe situaties.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van gezamenlijk gezag en houdt de behandeling van de omgangsregeling aan voor nader onderzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.327.595
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541506)
beschikking van 31 oktober 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H. Rawee te Amersfoort.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 mei 2023;
- het verweerschrift.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2018.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
[de minderjarige] heeft onder toezicht gestaan van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI) vanaf 1 maart 2018 (toen nog ongeboren) tot 1 maart 2020.
3.3
De rechtbank Midden-Nederland heeft in de beschikking van 15 december 2020 vervangende toestemming verleend aan de vader om [de minderjarige] te erkennen.
Verder heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] en de vader eenmaal per drie maanden, onder professionele begeleiding en op een neutrale locatie, omgang met elkaar hebben gedurende één uur.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader om samen met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] , afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil het gezag over [de minderjarige] en (de invulling van) het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is de vader het recht op omgang met [de minderjarige] ontzegd en is deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de rechtbank het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] , afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, eventueel onder aanvulling van de gronden:
1. de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] , en
2. een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] die het hof juist acht.
4.3
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
5.1
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof is net als de rechtbank – en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt – van oordeel dat het verzoek van de vader om samen met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] moet worden afgewezen, omdat dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Ter aanvulling overweegt het hof dat de situatie niet is veranderd. Er is nog steeds geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders; de ouders hebben überhaupt geen contact met elkaar. Verder speelt de vader op dit moment geen rol in het leven van [de minderjarige] , waardoor hij niet weet welke behoeften [de minderjarige] heeft en wat in het belang van [de minderjarige] zal zijn in het kader van mogelijk te nemen beslissingen. Onder die omstandigheden is het niet mogelijk voor de vader om (samen met de moeder) vorm, inhoud en uitvoering te geven aan het gezag.
Omgang
5.3
Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.4
Zoals hiervoor overwogen, heeft [de minderjarige] momenteel geen contact met de vader. De vader is al ruim twee jaren niet betrokken in het leven van [de minderjarige] . Het lukt de ouders niet om – zonder hulp – enige vorm van contact tussen [de minderjarige] en de vader tot stand te brengen. Het hof overweegt net als de rechtbank dat een mogelijk op te starten omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] begeleid zal moeten plaatsvinden. De vader heeft zich inmiddels bereid verklaard te zullen meewerken aan de begeleiding van een omgangsregeling. Op de mondelinge behandeling heeft het hof van de moeder begrepen dat zij ook bereid is mee te werken aan het opstarten van een omgangsregeling maar dat zij bang is dat [de minderjarige] daarin door de vader zal worden teleurgesteld.
Het hof overweegt dat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is. Tussen de ouders was sprake van huiselijk geweld en [de minderjarige] heeft gedurende zijn eerste twee levensjaren onder toezicht gestaan van de GI. [de minderjarige] heeft in zijn leven veel teleurstellingen meegemaakt, waaronder het niet nakomen van de omgangsregeling door de vader.
5.5
Het hof heeft te weinig informatie over de situatie van [de minderjarige] om een verantwoorde beslissing te kunnen geven over de omgangsregeling. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en de raad verzoeken een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] en, indien van toepassing, in welke vorm, met welke frequentie en onder welke begeleiding deze zal moeten plaatsvinden.
Het hof zal de raad verzoeken om over het verloop van een en ander te rapporteren.

6.De slotsom

6.1
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag bekrachtigen.
6.2
Het hof zal het verzoek van de vader voor zover het betreft de omgangsregeling aanhouden en beslissen zoals hierna gemeld.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
Bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 maart 2023, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de vader tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag over [de minderjarige] en
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad een nader onderzoek in te stellen als hiervoor onder 5.5 omschreven en daaromtrent
uiterlijk 1 maart 2024te rapporteren;
bepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. K. Mans;
bepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;
bepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris en
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, K.A.M. van Os-ten Have en A. Ernes, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 31 oktober 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.