ECLI:NL:GHARL:2023:9178

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
31 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.327.357/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens appelverbod bij bestuursstrafrechtelijke sanctie onder €110

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursstrafrechtelijke sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard tegen een beslissing van de officier van justitie, maar het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Het hof overwoog dat artikel 14 van Pro de Wahv sinds 1 januari 2023 een appelverbod kent voor sancties van €110 of lager, tenzij sprake is van niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdig stellen van zekerheid. De opgelegde sanctie van €39 valt binnen dit appelverbod. De betrokkene voerde aan dat sprake was van schending van fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging, waaronder het niet kunnen kennisnemen van stukken die de kantonrechter ter zitting ontving.

Het hof oordeelde dat deze bezwaren niet het recht op toegang tot de rechter zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro raken en dus geen grond vormen om het appelverbod buiten toepassing te laten. Ook de discrepantie tussen feitcode en sanctiebedrag bood geen aanleiding tot doorbreking van het appelverbod.

Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en handhaafde het de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege het appelverbod bij een sanctie van €39.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.327.357/01
CJIB-nummer
: 239355060
Uitspraak d.d.
: 31 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
Van geen van deze situaties is hier sprake. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 39,-.
2. De betrokkene stelt dat hij niettegenstaande het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wahv in het hoger beroep dient te worden ontvangen omdat sprake is van schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat er niet langer sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. De kantonrechter heeft uitspraak gewezen op grond van de op het beroepschrift betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Wahv. Die bepaling schrijft voor dat alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken ter griffie worden neergelegd en dat de griffier hiervan mededeling doet aan degene die beroep heeft ingesteld. De betrokkene is van mening dat dit voorschrift is geschonden. De kantonrechter heeft immers uitspraak gedaan op grond van door de vertegenwoordiger van de CVOM ter zitting overgelegde stukken, waarvan de betrokkene geen kennis van heeft kunnen nemen. Als betrokkene kennis had kunnen nemen van de inhoud van deze stukken, zou hij zeker ter zitting van de kantonrechter zijn verschenen. Daarnaast brengt de betrokkene naar voren dat de omstandigheid dat de kantonrechter de gedraging met feitcode VG005 heeft vastgesteld, terwijl hij de het bij feitcode VG006 behorende sanctiebedrag heeft gehandhaafd, wellicht ook als grond voor doorbreking (het hof begrijpt: buiten toepassing laten) van het appelverbod kan worden aangemerkt.
3. Hetgeen de betrokkene aanvoert betreft niet het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) besloten recht op toegang tot de rechter en kan derhalve geen grond vormen om het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de Wahv buiten toepassing te laten (vgl. overweging 12 van het arrest van het hof van 12 juli 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
4. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.