ECLI:NL:GHARL:2023:9356

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 november 2023
Publicatiedatum
7 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.325.326
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMartikel 11 WahvBesluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering sanctie wegens overschrijding redelijke termijn bij parkeren op gehandicaptenparkeerplaats

De betrokkene kreeg een sanctie van €400 opgelegd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder zichtbare geldige kaart op 30 januari 2021 in Leerdam. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €310, conform een wijziging in de regelgeving per 1 maart 2022.

De betrokkene stelde dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden en dat de sanctie daarom met 25% verlaagd had moeten worden. Het gerechtshof stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden in eerste aanleg en matigde de sanctie dienovereenkomstig tot €232,50.

Verder oordeelde het hof dat de proceskosten die in de fase van overschrijding zijn gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten geen vergoeding wordt toegekend. Het beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard, de sanctie verlaagd en het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep afgewezen.

Uitkomst: Sanctie verminderd tot €232,50 wegens overschrijding redelijke termijn; proceskostenvergoeding in hoger beroep afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.325.326/01
CJIB-nummer
: 239210099
Uitspraak d.d.
: 7 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 13 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 310,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.284,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2021 om 18.02 uur op de Kerkstraat in Leerdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verlaagd naar € 310,- (zie artikel I van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat redelijke termijn van berechting is overschreden in eerste aanleg en dat de kantonrechter de sanctie daarom met 25% had moeten matigen.
4. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
5. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Het hof stelt vast dat voor de in de procedure bij de kantonrechter verrichte proceshandelingen reeds een proceskostenvergoeding is toegekend. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de in hoger beroep verrichte proceshandeling bestaat gelet op voormeld arrest van 28 juli 2023 geen aanleiding.
6. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond is verklaard en het bedrag van de sanctie in de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking is gewijzigd;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 232,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.