ECLI:NL:GHARL:2023:9450

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.320.190/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRMArt. 12 WahvArt. 3, tweede lid, BpbArt. 2, derde lid, Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing proceskostenvergoeding samenhangende zaken Wahv

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Het hof oordeelt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten omdat de gemachtigde niet correct is opgeroepen voor de zitting, in strijd met artikel 12 Wahv Pro. Hierdoor is het hoger beroep ontvankelijk.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en beoordeelt het beroep tegen de proceskostenvergoeding toegekend door de officier van justitie. De betrokkene betoogt dat de wegingsfactor voor samenhangende zaken (factor C2) hoger dan 1,5 moet zijn vanwege het grote aantal en uiteenlopende feiten van de zaken.

De advocaat-generaal stelt dat de factor C2 al een uitwerking is van een wettelijke bepaling die een verhoging of verlaging in bijzondere gevallen mogelijk maakt, maar dat een verdere differentiatie niet is beoogd. Het hof volgt dit standpunt en acht de toegepaste factor 1,5 passend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ontvankelijk, vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het beroep tegen de proceskostenvergoeding ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.320.190/01
CJIB-nummer
: 244847667
Uitspraak d.d.
: 8 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 11 februari 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 oktober 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv - zoals deze bepaling ten tijde van de beslissing van de kantonrechter luidde - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake, nu de inleidende beschikking is vernietigd door de officier van justitie.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de gemachtigde niet is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Hierbij verwijst hij naar artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. In artikel 6 van Pro het EVRM ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
5. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte brief van de griffier van de rechtbank (gedateerd 4 november 2022), waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 1 december 2022. Niet blijkt dat deze brief is verzonden naar de gemachtigde, zodat niet kan worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Het appelverbod zal buiten toepassing worden gelaten en het hoger beroep is ontvankelijk.
6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, voor zover gericht tegen de hoogte van de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding, beoordelen.
7. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking vernietigd om de reden dat de ambtenaar heeft nagelaten om aanvullende informatie in te brengen, zodat een grondige afweging van de aangevoerde argumenten niet mogelijk is. In de beslissing is vermeld dat een vergoeding voor de verleende rechtsbijstand wordt toegekend van € 405,75 voor in totaal 20 zaken. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: 1 punt voor het indienen voor het beroep bij de officier van justitie, wegingsfactor 0,5 (licht) en factor 1,5 (factor samenhangende zaken). Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) met 19 andere in die beslissing genoemde zaken.
8. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat wegingsfactor C2 in de berekening van de proceskosten hoger dan 1,5 moet zijn, omdat sprake is van een relatief groot aantal zaken en bovendien uiteenlopende feiten. Uit de nota van toelichting bij het Bpb kan worden afgeleid dat de wetgever met factor C2 ‘wegingsfactor samenhangende zaken’ heeft bedoeld om de werking van artikel 3 van Pro het Bpb te verzachten en tevens oog heeft gehad voor het feit dat ‘meer cliënten’ onmiskenbaar ‘meer werk’ betekent en dus (zoals in het onderhavige geval) de wegingsfactor naar boven wordt bijgesteld.
9. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat uit het besluit tot wijziging van het Bpb in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken van 27 oktober 2014 (Stb. 2014/411) volgt dat factor C2, die wordt toegepast bij samenhangende zaken, reeds een uitwerking is van artikel 2, derde lid, van het Bpb die het mogelijk maakt om de proceskostenvergoeding in bijzondere gevallen te verhogen of te verlagen. Hiermee is niet door de wetgever beoogd om alsnog tot een verdere differentiatie van factor C2 te komen. Volgens de advocaat-generaal heeft het hof in een groot aantal zaken (lees: ruim meer dan tien zaken) samenhang aanwezig geacht, maar nimmer een hogere wegingsfactor C2 aangenomen of overwogen. Hierbij verwijst de advocaat-generaal naar een arrest van het hof van 19 januari 2022 (zie ECLI:GHARL:2022:390).
10. Het hof leidt uit het verweer van de gemachtigde af dat hij geen bezwaar heeft tegen de aanname dat sprake is van samenhangende zaken, maar dat - gelet op het groot aantal zaken - er voldoende reden bestaat een hogere factor voor samenhangende zaken dan 1,5 vast te stellen.
11. In de Nota van toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming voor de regeling van samenhangende zaken (Staatsblad 2014/411) is het volgende vermeld:
"Dit besluit strekt ertoe om in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de regeling voor samenhangende zaken in het bestuursrecht te verruimen. Hierdoor zal sneller sprake zijn van samenhangende zaken, hetgeen gevolgen heeft voor het bedrag van de vergoeding van onderscheidenlijk veroordeling in proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij bezwaar of administratief beroep onderscheidenlijk beroep bij de bestuursrechter (artikelen 7:15, vierde lid, en 7:28, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 8:75, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
De kostenveroordeling is in het Bpb op twee manieren begrensd. Artikel 1 somt Pro limitatief op welke kostenposten onder de kostenveroordeling kunnen worden gevat. Artikel 2, eerste lid, van het Bpb geeft voorts aan hoe de hoogte van de toegewezen posten door de rechter en het bestuursorgaan wordt vastgesteld. De kostenberekening voor verlening van rechtsbijstand is uitgewerkt in de bijlage bij het Bpb, op basis een systeem van puntentoekenning voor verschillende proceshandelingen en daaraan gekoppelde waarden per punt en wegingsfactoren. Voor de kosten van een getuige of deskundige en van reis- en verblijfkosten wordt verwezen naar de Wet tarieven in strafzaken en de daarop gebaseerde uitvoeringswetgeving (het Besluit tarieven in strafzaken en de Ministeriële regeling tarieven in strafzaken 2003). Voor de hoogte van de uurtarieven voor verletkosten wordt aangeknoopt bij het Besluit tarieven in strafzaken. De (overige) verschotten worden op het werkelijke bedrag bepaald.
Dit is een relatief eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter en het bestuursorgaan niet onnodig verzwaart. De kostenvergoeding en kostenveroordeling zijn niet bedoeld als een volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.
Toch komt het, ondanks de dubbele begrenzing, voor dat de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die op basis van het Bpb wordt vastgesteld, onevenredig hoog is. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan het karakter van de kostenvergoeding, zijnde een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Dit besluit strekt ertoe dit effect weg te nemen.
Artikel 2, derde lid, van het Bpb biedt de rechter en het bestuursorgaan de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in het eerste lid. Zo kan voor de vaststelling van de kosten voor verleende rechtsbijstand worden afgeweken van het forfaitaire tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Bpb. Uit de toelichting op de uitzonderingsmogelijkheid (Stb. 1993, 763, p. 10) volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter en het bestuursorgaan kunnen daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering. Gelet op deze toelichting passen de rechter en het bestuursorgaan de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend toe.
In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.
Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip «samenhangende zaak» in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar of gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient. Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor ieder zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.
Ingeval de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in een bepaald geval onevenredig hoog is, kunnen bestuursorgaan en rechter gebruik maken van artikel 2, derde lid, Bpb, dat het bestuursorgaan en de bestuursrechter de mogelijkheid biedt om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de volgens het Bpb berekende vergoeding.
12. Uit de Nota volgt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat een rechter of de officier van justitie in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens de Bpb berekende vergoeding om die reden kan verlagen of verhogen. Wat de gemachtigde naar voren heeft gebracht geeft het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de officier van justitie in deze zaak een hogere factor voor samenhangende zaken had moeten toepassen dan de gebruikelijke factor 1,5. Daar komt bij dat het aan de regelgever is om een verdere differentiatie aan te brengen in de factor voor samenhangende zaken.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep van de gemachtigde tegen beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.