ECLI:NL:GHARL:2023:9484

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.317.406
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenBeleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid boa openbaar vervoer werkzaam bij privaatrechtelijke rechtspersoon met overheidsaandeel

In deze zaak stond de bevoegdheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) openbaar vervoer centraal die werkzaam is bij een privaatrechtelijke rechtspersoon, [naam1] BV, waarvan de aandelen volledig in handen zijn van een overheidslichaam. De betrokkene was gesanctioneerd voor het doorrijden bij een rood knipperlicht bij een spoorwegovergang.

De betrokkene voerde in hoger beroep aan dat de boa niet bevoegd was omdat [naam1] BV geen publiekrechtelijke rechtspersoon zou zijn, zoals vereist in de Beleidsregels Boa. De advocaat-generaal stelde daarentegen dat [naam1] BV als publiekrechtelijke rechtspersoon moest worden aangemerkt, onderbouwd met verwijzingen naar overheidsinformatie.

Het hof oordeelde dat hoewel [naam1] BV geen openbaar vervoersbedrijf is, het wel voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 3.1 van de Beleidsregels Boa, omdat het volledig in handen is van een overheidslichaam. Hierdoor kan het als publiekrechtelijke rechtspersoon worden beschouwd in de zin van paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Boa. De sanctie is daarom rechtmatig opgelegd door de boa.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd; de boa was bevoegd en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.317.406/01
CJIB-nummer
: 235651965
Uitspraak d.d.
: 9 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 22 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van
€ 240,- voor: “doorrijden bij werkend rood knipperlicht bij weg over het spoor”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 augustus 2020 om 15.42 uur op de Barchman Wuytierslaan in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde is van mening dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boa) die de sanctie heeft opgelegd - een boa beëdigd tot boa voor het domein Openbaar Vervoer - daartoe niet bevoegd is. In paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: Beleidsregels boa) staat onder meer vermeld dat een dergelijke ambtenaar in bezoldigde dienst is van een openbaar vervoersbedrijf, dan wel een (ander) publiekrechtelijk rechtspersoon. De zinssnede ‘een (ander) publiekrechtelijk rechtspersoon’ impliceert dat de term ‘openbaar vervoersbedrijf’ duidt op een vervoersbedrijf krachtens publiekrecht. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de ambtenaar in dienst is bij [naam1] BV. Volgens de gemachtigde is [naam1] BV geen openbaar vervoersbedrijf en evenmin een rechtspersoon krachtens publiekrecht. [naam1] BV is – ook blijkens de door de officier van justitie overgelegde uittreksels – een rechtspersoon krachtens privaatrecht. Anders dan de kantonrechter heeft beslist, kan [naam1] BV niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijk rechtspersoon zoals bedoeld in paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Boa.
3. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gesteld dat dat [naam1] BV moet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtspersoon. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de advocaat-generaal naar een website van de Rijksoverheid.
4. Blijkens het zaakoverzicht is de sanctie opgelegd door een boa domein openbaar vervoer, werkzaam bij [naam1] (het hof begrijpt: [naam1] BV).
5. In een aanvullend schrijven heeft de officier van justitie twee uittreksels van de Kamer van Koophandel overgelegd d.d. 13 januari 2022 en 17 februari 2022 betreffende [naam1] BV en [naam2] BV. Hieruit blijkt dat enig aandeelhouder van [naam1] BV [naam2] BV is. De enig aandeelhouder van [naam2] BV is het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
6. In paragraaf 3.1 van de Beleidsregels Boa staat vermeld dat het gebruik van opsporingsbevoegdheid en geweldsmiddelen gelet op de grote impact die dit op burgers en ondernemingen kan hebben een privilege blijft dat is voorbehouden aan de overheid. Dit betekent dat boa’s in beginsel in bezoldigde dienst moeten zijn van een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon die voldoet aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden. Vereist is in ieder geval dat een rechtspersoon een overheidslichaam is of volledig in handen is van een overheidslichaam. Ingeval sprake is van een BV of NV is hier ook aan voldaan indien de aandelen volledig in handen zijn van de overheid.
7. Paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Boa bepaalt dat de boa openbaar vervoer in bezoldigde dienst is van een openbaar vervoersbedrijf, dan wel een (ander) publiekrechtelijk rechtspersoon en is belast met de opsporing van strafbare feiten binnen het domein openbaar vervoer.
8. Daar waar paragraaf 3.1 van de Beleidsregels Boa voorziet in een algemene bepaling over de eisen die gelden voor (alle) boa's, betreft paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Boa een specifieke bepaling voor boa’s die werkzaam zijn in het domein openbaar vervoer.
9. Vastgesteld kan worden dat [naam1] BV geen openbaar vervoersbedrijf is. Een redelijke uitleg van het begrip (andere) publiekrechtelijke rechtspersoon in paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Boa brengt naar het oordeel van het hof mee dat daaronder moet worden verstaan wat in paragraaf 3.1 van de Beleidsregels is bepaald met betrekking tot de publiekrechtelijke rechtspersoon. Niet valt in te zien dat voor de boa openbaar vervoer op dit punt andere eisen moeten gelden dan voor boa's in het algemeen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat een openbaar vervoersbedrijf in de zin van paragraaf 9.1 (ook) niet per definitie een publiekrechtelijke rechtspersoon is.
10. [naam1] BV is een privaatrechtelijk rechtspersoon die, zo volgt uit hetgeen in overweging 5 hierboven is vermeld, voldoet aan de in paragraaf 3.1 van de Beleidsregels Boa genoemde voorwaarden. Daarmee kan [naam1] BV worden beschouwd als publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van paragraaf 9.1 van de Beleidsregels Boa. De door de gemachtigde aangevoerde grond treft geen doel.
11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken