De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 maart 2020 om 15.25 uur op de Hoofdstraat in Emmen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd niet behoort tot de openbare weg. Het voertuig stond op een eigen terrein dat zich achter het theater bevindt en slechts door medewerkers van het theater wordt gebruikt. Dit terrein is afgesloten door middel van een metalen hek waarvan slechts een beperkt aantal personen, onder wie de betrokkene, de sleutel hebben. Ter onderbouwing zijn foto’s van de situatie ter plaatse overgelegd, videobeelden waaruit blijkt dat het hek na iedere doorgang wordt afgesloten en een drietal getuigenverklaringen waarin wordt verklaard dat het betreffende hek altijd op slot zit.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht houdt zakelijk weergegeven onder meer in dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd in (strijd met) een parkeerverbod(szone), hetgeen werd aangegeven met een bord E1 van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
5. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal d.d. 12 mei 2020 waarin ambtenaar [naam1] , namens ambtenaar [naam2] die de sanctie heeft opgelegd, zakelijk weergegeven en voor zover relevant verklaart dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd in het Rensenpark, dat dit park voor iedereen openbaar toegankelijk is en dat het hek op het moment van de constatering was geopend. Als bijlage bij dit proces-verbaal is het brondocument gevoegd met daarbij de foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is het voertuig van de betrokkene te zien.
6. Niet betwist is dat het voertuig van de betrokkene op de bovengenoemde datum, tijd en locatie stond geparkeerd. In geschil is de vraag of deze locatie behoort tot de openbare weg en derhalve of het parkeerverbod daar van kracht is.
7. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) moet onder het begrip wegen worden verstaan:
“Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.”
8. Voor de beantwoording van de vraag of een (particulier) terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van het terrein (vgl. HR 8 april 1997, VR 1998, 2).
9. Het hof stelt voorop dat de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg, wanneer het toegangshek tot het terrein om de betreffende locatie te bereiken openstaat en overige weggebruikers onbelemmerd toegang tot dat terrein hebben. In dat geval zijn de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort van kracht en kunnen deze gehandhaafd worden.
10. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond niet feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat dit anders moet worden beoordeeld. Dat het park voor het openbaar verkeer toegankelijk is, betekent niet dat dit ook geldt voor het terrein waar de auto van de betrokkene stond. In de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht wordt hier niks over vermeld. De aanvullende verklaring waarin is opgenomen dat het hek op het moment van de constatering was geopend, is opgesteld en ondertekend door ambtenaar [naam1] en betreft niet de waarneming van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Nu ook uit de overige gegevens in het dossier niet blijkt dat de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had geplaatst feitelijk voor het openbaar verkeer openstond, kan de gedraging niet worden vastgesteld. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Het hof zal beslissen als hierna te melden.
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.284,75 (= 1,5 x € 597,- x 0,5 + 2, x € 837,- x 0,5).