ECLI:NL:GHARL:2023:9572

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
14 november 2023
Zaaknummer
200.327.318
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof wijzigt zorgregeling: contact kind met moeder op eigen initiatief

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 november 2023 uitspraak gedaan in het hoger beroep over de zorgregeling voor een minderjarige zoon. De vader had beroep ingesteld tegen de zorgregeling die de rechtbank Midden-Nederland had vastgesteld, waarin het kind verplicht was om eens in de twee weken contact te hebben met de moeder. Het hof oordeelde dat deze regeling niet in het belang van het kind is, omdat het kind aangaf niet meer naar de moeder te willen gaan en druk ervaart door de verplichting.

Het hof stelde vast dat het kind ruim zestien jaar oud is en duidelijk heeft aangegeven de zorgregeling niet te willen uitvoeren. Hoewel het contact met beide ouders belangrijk wordt geacht, acht het hof het niet zinvol om het kind te dwingen. Daarom heeft het hof de zorgregeling gewijzigd en bepaalt dat het kind contact met de moeder kan opnemen wanneer hij dat zelf wil, zonder verplichting.

De moeder heeft aangegeven haar deur altijd open te houden voor het kind. Het hof benadrukte ook de verantwoordelijkheid van de vader om het contact tussen het kind en de moeder te bevorderen. De eerdere beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de nieuwe regeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere zorgregeling en stelt vast dat het kind contact met de moeder kan opnemen wanneer hij dat wil.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.327.318
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 532307)
beschikking van 14 november 2023
in de zaak van
[verzoeker],
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Kaya,
en
[verweerster],
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. Ilkdogan.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 24 februari 2023 (hierna: de rechtbank), uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, binnengekomen op 18 mei 2023;
  • het verweerschrift met bijlage;
  • de brief van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland, van 24 juli 2023, met bijlage.
2.2
[de minderjarige1] heeft op 23 oktober 2023 een telefoongesprek gehad met één van de raadsheren en verteld wat hij van de zaak vindt.
2.3
De mondelinge behandeling was op 27 oktober 2023. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat; zij werd bijgestaan door de heer [naam1] , tolk in de Turkse taal.
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2007;
  • [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2015.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.2
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 25 januari 2022 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland. De ondertoezichtstelling is geëindigd op 25 juli 2023.
3.3
De ouders hebben op 11 maart 2019 een ouderschapsplan opgesteld. Dit ouderschapsplan is gehecht aan de beschikking van 9 april 2019. In het ouderschapsplan hebben de ouders een zorgregeling afgesproken, waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de even weken bij de moeder zijn en in de oneven weken bij de vader.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
  • de beschikking van 9 april 2019 en het daaraan gehechte ouderschapsplan van 11 maart 2019 gewijzigd;
  • bepaald dat [de minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
  • bepaald dat [de minderjarige2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;
  • een zorgregeling vastgesteld voor [de minderjarige2] ;
  • de volgende zorgregeling vastgesteld voor [de minderjarige1] :
o [de minderjarige1] heeft een keer in de twee weken, op de zondag dat [de minderjarige2] ook bij de moeder is, gedurende twee uur omgang met de moeder.
4.2
De vader komt met één grief in hoger beroep. Die grief ziet op de zorgregeling voor [de minderjarige1] . De vader verzoekt het hof om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de zorgregeling voor [de minderjarige1] en te bepalen dat tussen [de minderjarige1] en de moeder geen zorgregeling geldt, dan wel een andere zorgregeling vast te stellen waarbij de contactmomenten geschieden in onderling overleg tussen [de minderjarige1] en de moeder.
4.3
De moeder voert verweer in hoger beroep. De moeder vraagt het hof
primairom de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en
subsidiairom het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en om de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
5.1
De ouders hebben samen het gezag. De rechter kan op verzoek van (één van) de ouders een eerdere beslissing over de zorgregeling wijzigen als de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter kijkt dan naar alle omstandigheden van het geval en neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt (artikel 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
5.2
Het hof is van oordeel dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de ouders in 2019 het ouderschapsplan hebben opgesteld. [de minderjarige1] gaat namelijk niet meer naar de moeder. Het hof kan de zorgregeling daarom opnieuw beoordelen.
5.3
[de minderjarige1] heeft de raadsheer van het hof verteld dat hij de moeder niet meer wil zien en dat hij de zorgregeling ook niet zal uitvoeren. [de minderjarige1] heeft verteld dat hij het vervelend vindt dat de rechtbank hem een verplichting heeft opgelegd om eens in de twee weken naar de moeder te gaan. Daarom heeft [de minderjarige1] de vader gevraagd om hoger beroep in te stellen.
5.4
Het hof is van oordeel dat het voor [de minderjarige1] belangrijk is om contact te hebben met allebei zijn ouders. Het hof is echter ook van oordeel dat het geen zin heeft om [de minderjarige1] te dwingen om naar zijn moeder te gaan. [de minderjarige1] is ruim zestien jaar oud en geeft duidelijk aan dat hij de zorgregeling niet meer zal uitvoeren.
5.5
Het hof stelt vast dat de moeder [de minderjarige1] sinds de beschikking van de rechtbank niet heeft gedwongen om naar haar toe te komen. Het hof stelt echter ook vast dat [de minderjarige1] wel een bepaalde druk ervaart door de zorgregeling. De vader heeft verteld dat [de minderjarige1] bang is dat de moeder hem in de toekomst wel zal verplichten om contact met haar te hebben, ook al heeft zij tijdens de mondelinge behandeling verteld dat zij dit niet zal doen. De vader heeft dan ook belang bij het ingestelde hoger beroep, zodat aan het primaire verweer van de moeder voorbij wordt gegaan. Daarnaast is het hof van oordeel dat de zorgregeling zoals die nu is, niet in het belang van [de minderjarige1] is en zal het hof het verplichte karakter van het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] laten vervallen.
5.6
Het hof volgt het advies van de raad en zal de zorgregeling niet helemaal laten vervallen. De raad heeft verteld dat het belangrijk is dat [de minderjarige1] de ruimte voelt om contact te zoeken met de moeder als hij dat wil. Als er helemaal geen zorgregeling meer bestaat, zou [de minderjarige1] het gevoel kunnen krijgen dat hij geen contact mág opnemen. Daarom zal het hof een zorgregeling vaststellen die inhoudt dat [de minderjarige1] contact kan opnemen met de moeder als hij dat wil. De moeder heeft verteld dat haar deur altijd voor [de minderjarige1] open staat.
5.7
Het hof hoopt dat het contact tussen [de minderjarige1] en de moeder in de toekomst weer hersteld zal worden. Het hof benadrukt dat de vader hierin een grote verantwoordelijkheid heeft en bovendien verplicht is om het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] te bevorderen.
5.8
Het hof vernietigt de bestreden beschikking en stelt de zorgregeling vast die vermeld wordt in het dictum.
Proceskosten
5.9
Het hof bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen. Dit vindt het hof passend, omdat deze procedure gaat over [de minderjarige1] : de gezamenlijke zoon van partijen.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 februari 2023;
wijzigt de beschikking van 9 april 2019 en het daaraan gehechte ouderschapsplan van 11 maart 2019 en stelt de volgende zorgregeling vast:
- [de minderjarige1] heeft contact met de moeder op de manier die hij zelf wil en zo vaak als hij zelf wil.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, M.H.F. van Vugt en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. L.M. de Wit als griffier en is op 14 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.