Het geschil betreft de wijziging van partneralimentatie tussen de man en vrouw na hun echtscheiding in 2015. De man verzocht de rechtbank om de alimentatie nihil te stellen wegens inkomensdaling, waarop de rechtbank dit verzoek honoreerde met ingang van 1 augustus 2022. De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof oordeelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, waaronder het aflopen van een lijfrente-uitkering van de man en een lagere pensioenuitkering. De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €2.860 netto per maand, met een aanvullende behoefte van €1.324 netto per maand. Het hof bevestigt het inkomen van de man zoals door de rechtbank vastgesteld, waarbij de verlaging van zijn pensioenuitkering vanwege gezondheidsklachten niet onredelijk wordt geacht.
De vrouw stelde dat de man zijn buffer moest aanspreken en dat de woonlasten onredelijk waren. Het hof wijst dit deels af, maar oordeelt dat de woonlasten van de man gedeeld moeten worden met zijn samenwonende partner en past een korting wegens onredelijke woonlasten toe. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €458 per maand.
Ten slotte bepaalt het hof dat de wijziging van de alimentatie ingaat op 1 november 2022, zodat de vrouw geen terugbetalingsverplichting heeft. De bestreden beschikking wordt vernietigd en de alimentatie wordt aangepast. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.