Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van een vader tegen de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van de reguliere zorgregeling voor zijn minderjarige kind. De ouders delen het gezag en het kind heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. In het ouderschapsplan van 2021 was een zorgregeling vastgelegd waarbij het kind wekelijks enkele dagen bij de vader verblijft.
De vader stelde dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden omdat hij bij het opstellen van het ouderschapsplan uitging van voortzetting van de relatie als latrelatie, wat niet is gebeurd, en hij daardoor minder contact met het kind heeft dan verwacht. De moeder betwistte dit en stelde dat de relatie was beëindigd en de huidige regeling nog steeds in het belang van het kind is.
Het hof oordeelde dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een relevante wijziging van omstandigheden is. Het ouderschapsplan vermeldt niet dat partijen een latrelatie zouden voortzetten. Bovendien is de huidige zorgregeling naar het oordeel van het hof en de raad voor de kinderbescherming passend en in het belang van het kind. Spanningen tussen ouders maken een wijziging op dit moment niet wenselijk.
Wel werd het ouderschapsplan aangevuld met afspraken over verblijf van het kind bij de vader op de avond voor zijn verjaardag in de oneven jaren, en op de avonden voor de verjaardag van de vader en Vaderdag, zoals partijen al in de praktijk toepasten. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.