ECLI:NL:GHARL:2024:1

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 januari 2024
Publicatiedatum
2 januari 2024
Zaaknummer
200.320.782
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
  • Beswerda
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 20d, vierde lid WahvBesluit proceskosten bestuursrechtWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen administratieve sanctie en proceskostenvergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een administratieve sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De inleidende beschikking waarbij de sanctie was opgelegd, was vernietigd, waardoor de betrokkene geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof beoordeelde tevens de proceskostenvergoeding. Per 1 januari 2024 is artikel 13a van de Wahv gewijzigd, waarbij een verminderingsfactor wordt toegepast op de vergoeding afhankelijk van het resultaat van het beroep. Deze wijziging is echter alleen van toepassing op besluiten en beslissingen die na 1 januari 2024 bekend zijn gemaakt. In deze zaak waren de besluiten voorafgaand aan die datum bekendgemaakt, zodat de nieuwe verminderingsfactor niet van toepassing was.

De proceskostenvergoeding werd berekend aan de hand van het aantal toe te kennen punten voor verschillende proceshandelingen, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van de zaak. Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van € 1.780,50 aan de betrokkene.

Ten aanzien van de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding, die volgens de nieuwe wettelijke bepalingen uitsluitend op de rekening van de betrokkene mag plaatsvinden en niet kan worden overgedragen, oordeelde het hof dat hierover geen beslissing in het dictum nodig was omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de advocaat-generaal wordt veroordeeld tot vergoeding van € 1.780,50 aan proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.320.782/01
CJIB-nummer
: 246029722
Uitspraak d.d.
: 2 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 24 november 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 6 oktober 2023 wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

De advocaat-generaal heeft de verzochte aanvullende informatie ingebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen hierop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 14 november 2023 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking is vernietigd en dat de gemachtigde van de betrokkene daarover is geïnformeerd.
Bij e-mailbericht van 16 november 2023 heeft de gemachtigde van de betrokkene het zittingsverzoek ingetrokken.
De voorzitter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De beoordeling

1. Omdat de inleidende beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, is vernietigd, heeft de betrokkene geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de toe te kennen proceskostenvergoeding overweegt het hof als volgt. In artikel 20d, vierde lid, van de Wahv is artikel 13a van de Wahv van overeenkomstige toepassing verklaard in hoger beroep. Per 1 januari 2024 is artikel 13a van de Wahv gewijzigd. In artikel 13a, tweede lid (nieuw), van de Wahv is bepaald dat de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht toe te kennen vergoeding wordt vermenigvuldigd met factor 0,25 indien de bestreden administratieve sanctie wordt vernietigd of het sanctiebedrag wordt gewijzigd en met factor 0,1 in alle overige gevallen. In artikel IV van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [1] , waar de genoemde wijziging deel van uitmaakt, is voor zover relevant bepaald dat deze wet in werking treedt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot een bezwaar tegen een na dat tijdstip bekendgemaakt besluit en een administratief beroep, beroep, hoger beroep, verzet, beroep in cassatie tegen of een verzoek om herziening van een na dat tijdstip bekendgemaakte beslissing of uitspraak.
3. In de Memorie van toelichting bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is hierover opgenomen:
“De nieuwe berekeningswijze geldt dus niet voor proceshandelingen die zijn verricht vóór inwerkingtreding van deze artikelen. In beroep kan ook een proceskostenvergoeding worden toegekend voor een eerdere fase. De rechter in eerste aanleg kan bijvoorbeeld een proceskostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Als het bestreden besluit is genomen vóór inwerkingtreding van deze artikelen, maar de beslissing op bezwaar ná dat tijdstip volgt, betekent dit dat de in het voorstel opgenomen factor alleen wordt toegepast op de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.” [2]
4. Het voorgaande betekent dat de in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgenomen factor van toepassing is op beroepen tegen na 1 januari 2024 bekendgemaakte besluiten en beslissingen. De datum van de bekendmaking van de inleidende beschikking, de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter is dus bepalend voor de vraag of deze factor van toepassing is voor proceshandelingen gemaakt in die fase van de procedure.
5. In deze zaak zijn de inleidende beschikking, de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter vóór 1 januari 2024 bekendgemaakt. Dat betekent dat op de toe te kennen proceskostenvergoeding de factor in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet van toepassing is. Het hof komt daarom in deze zaak tot toekenning van de hierna genoemde proceskostenvergoeding.
6. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof van 22 september 2023 dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.780,50 ((1,5 x € 624,- x 0,5) + (3 x € 875,- x 0,5)).
7. Ten aanzien van het verzoek van de gemachtigde om in het dictum van het arrest op te nemen dat alleen bevrijdend kan worden betaald door de bedragen over te maken aan [naam1] B.V. (verkeersboete.nl) omdat de vordering tot uitbetaling van de proceskostenvergoeding vóór 1 januari 2024 is gecedeerd, is het volgende van belang. In artikel 13a, derde en vierde lid (nieuw), van de Wahv is bepaald dat uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene tot wie de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, is gericht en dat vorderingen tot deze uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. Ten aanzien van deze bepalingen is geen overgangsrecht opgenomen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, zodat deze van toepassing zijn op alle uitbetalingen van proceskostenvergoedingen die worden gedaan vanaf 1 januari 2024. Omdat de wijze van betaling rechtstreeks voortvloeit uit de wet, is er geen aanleiding om daarover in het dictum een beslissing op te nemen.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.780,50.
Dit arrest is gewezen door mrs. De Witt, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.