ECLI:NL:GHARL:2024:1104

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
200.331.530/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 10 RVV 1990Art. 24 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor hinderlijk parkeren op in-/uitrit ondanks feitcode discussie

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor het parkeren van zijn voertuig op een in- of uitrit, waardoor het verkeer werd gehinderd. De betrokkene voerde via zijn gemachtigde aan dat de specifieke feitcode voor parkeren vóór een in- of uitrit van toepassing was en dat het voertuig op een trottoir stond, wat een andere overtreding zou zijn.

Het hof oordeelde dat het voertuig niet vóór, maar op de in-/uitrit stond geparkeerd, waardoor de specifieke feitcode niet van toepassing was. Ook werd vastgesteld dat de strook geen trottoir was, maar een toegang tot een parkeerterrein, zodat artikel 10 RVV Pro 1990 niet was overtreden.

Op basis van de verklaring van de ambtenaar en foto's concludeerde het hof dat het voertuig zodanig stond dat het verkeer werd gehinderd. De sanctie voor overtreding van artikel 5 WVW Pro 1994 was daarom terecht opgelegd.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene al ongegrond verklaard en het hof bevestigde deze beslissing. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de boete van €150 wegens hinderlijk parkeren op een in-/uitrit en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.331.530/01
CJIB-nummer
: 248072909
Uitspraak d.d.
: 14 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 28 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden verhinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 maart 2022 om 15:29 uur op het Marktplein in Hoofddorp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de betrokkene de gedraging ontkent. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een uitrit. Voor deze gedraging is een specifieke feitcode opgenomen in de bijlage bij de Wahv, zodat het de ambtenaar niet vrijstond om gebruik te maken van de algemene feitcode, waarop een hoger sanctiebedrag van toepassing is. In reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal voert de gemachtigde aan dat indien sprake is van een situatie waarin ‘op een in- of uitrit’ werd geparkeerd, dat het voertuig alsdan op een trottoir stond en aldus werd gehandeld in strijd met artikel 10 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). In dat geval is eveneens een bijzonder voorschrift overtreden, zodat alsnog geen sanctie voor overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) kon worden opgelegd.
3. De onder 1. genoemde gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 5 van Pro de WVW 1994 dat luidt - voor zover van belang -:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat als verklaring van de ambtenaar:
“Ik zag op bovengenoemde locatie een voertuig geparkeerd staan voor een in- en uitgang van de parkeerplaats. Ik zag dat nog een voertuig geparkeerd stond achter het voertuig die voor de in- en uitgang van de parkeerplaats stond. Ik zag dat een aantal voertuigen voor de in- en uitgang op de parkeerplaats stonden te wachten tot dat het voertuig die voor de in- en uitgang geparkeerd stond, weg zou gaan. Wij waren net gearriveerd en zagen toen de eigenaar van het voertuig dat achter het voertuig die geparkeerd stond voor de in- en uitgang stond, aan kwam lopen. Ik zag dat dit voertuig niet geparkeerd stond in een parkeervak. Wij hebben gezegd dat het voertuig zo snel mogelijk weg moest gaan. Nu het voertuig weg was zagen wij dat de voertuigen die op de parkeerplaats stonden te wachten weg konden rijden over een ongeveer 15 centimeter hoge stoeprand. Hierop ben ik overgang (het hof leest: overgegaan) tot het bekeuren van het voertuig voor het feit ‘hinderlijk en gevaarlijk parkeren’. (…).”
5. De ambtenaar heeft foto's van de gedraging overgelegd. Naast de rijbaan is een verharde strook zichtbaar. Deze strook is belegd met klinkers in een afwijkende kleur ten opzichte van de rijbaan en wordt begrensd door middel van inritbanden. Op een gedeelte van de strook bevindt zich een in- en uitritconstructie, die toegang geeft tot een (met grijze klinkers bestraat) parkeerterrein. Te zien is dat het voertuig van de betrokkene op de in- en uitrit, parallel aan de rijbaan, staat geparkeerd.
6. Op grond van de foto’s van de gedraging stelt het hof vast dat het voertuig niet vóór de in- of uitrit stond geparkeerd, maar op de ter plaatse aanwezige in- of uitrit. Nu artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 slechts het parkeren vóór een in- of uitrit verbiedt, is de gedraging met feitcode R397b niet van toepassing (vgl. het arrest van het hof van 20 februari 2019, ECLI:NL:GHARL: 2019:1648).
7. Gelet op de onder 5. omschreven weginrichting doet de strook waarop het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd zich naar het oordeel van het hof voor de gemiddelde weggebruiker niet voor als een trottoir. Duidelijk zichtbaar is dat dit weggedeelte de toegang vormt tot het daarachter gelegen parkeerterrein en niet bestemd is om door voetgangers te worden gebruikt. Het hof volgt de gemachtigde dan ook niet in zijn stelling dat in casu in strijd met artikel 10 van Pro het RVV 1990 is gehandeld.
8. Gelet op de verklaringen van de ambtenaar en de foto's in het dossier staat naar het oordeel van het hof vast dat het voertuig van de betrokkene op zodanige wijze geparkeerd stond dat het verkeer ter plaatse werd gehinderd. De ambtenaar heeft beschreven dat de vrije doorgang naar het parkeerterrein werd belemmerd, zodat voertuigen niet ongehinderd het parkeerterrein konden betreden dan wel verlaten. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
9. Uit het voorgaande volgt dat de ambtenaar terecht een sanctie heeft opgelegd voor de gedraging "handelen in strijd met artikel 5 van Pro de WVW 1994". De aangevoerde gronden geen doel.
10. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Daarom zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.