Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:1177

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
21-002974-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor hennepteelt en diefstal elektriciteit

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter Midden-Nederland, waarin verdachte was veroordeeld voor het telen, bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van hennep en diefstal van elektriciteit door braak of verbreking.

Op 28 november 2018 werd in de woning van de ouders van verdachte een hennepkwekerij met 115 planten aangetroffen en illegale stroomafname vastgesteld. De ouders verbleven geruime tijd in het buitenland en de woning stond leeg. Verdachte werd meerdere malen in de omgeving gezien en beschikte over een sleutel van het ouderlijk huis.

Het hof oordeelde echter dat deze feiten onvoldoende bewijs vormden voor strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij de kwekerij en de diefstal. Er was geen bewijs dat verdachte op de hoogte was van de kwekerij of betrokken was bij de stroomdiefstal, en het bezit van een sleutel en aanwezigheid in het huis was op zichzelf niet verdacht.

Daarom vernietigde het hof het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan wettig bewijs.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij hennepteelt en diefstal van elektriciteit.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002974-20
Uitspraak d.d.: 15 februari 2024
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 augustus 2020 met parketnummer 16-108643-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. R.B. Venema, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2018 tot en met 28 november 2018 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 115 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 augustus 2018 tot en met 28 november 2018 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Vrijspraak

Uit het dossier blijkt dat op 28 november 2018 een hennepkwekerij met 115 hennepplanten is aangetroffen op de eerste etage in de woning van de ouders van verdachte aan de [straatnaam] te [pleegplaats] en dat ten behoeve van die kwekerij illegaal stroom werd afgetapt.
Uit de verklaringen van de ouders van verdachte en van omwonenden kan worden afgeleid dat beide ouders in de periode voorafgaand aan 28 november 2018 geruime tijd in het buitenland verbleven, dat de woning in die periode leeg stond en dat verdachte meerdere malen in de omgeving van de woning is waargenomen. Naar het oordeel van het hof vormen deze feiten en omstandigheden in het onderhavige geval evenwel niet zonder meer voldoende bewijs voor strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij en/of de diefstal van elektriciteit. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het op zichzelf geen verwondering wekt dat verdachte over een sleutel van zijn ouderlijk huis beschikte en dat hij gedurende de afwezigheid van zijn ouders daar naar toe ging, mede gelet op de omstandigheid dat daar poststukken op zijn naam zijn aangetroffen. In het dossier is niets vastgelegd met betrekking tot de directe kenbaarheid van de aanwezigheid van de kwekerij op de eerste verdieping van de woning bij het binnentreden van die woning, terwijl het dossier ook overigens geen bewijs bevat voor de aanwezigheid in noch betrokkenheid van verdachte bij die kwekerij en betrokkenheid bij de ten laste gelegde diefstal van stroom door middel van braak of verbreking. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan het bewijsminimum en dient verdachte bij gebrek aan voldoende wettig bewijs te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. F. van der Maden, voorzitter,
mr. E.M.J. Brink en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier,
en op 15 februari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.