ECLI:NL:GHARL:2024:119

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 januari 2024
Publicatiedatum
8 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.326.554
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiel elektronisch apparaat tijdens rijden

De betrokkene kreeg een boete van €350 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Rijksweg A7. De betrokkene voerde aan dat het voorwerp een pinapparaat was dat niet draadloos functioneert en daarom niet onder het verbod van artikel 61a RVV 1990 valt.

Het hof oordeelde dat een pinapparaat wel degelijk een mobiel elektronisch apparaat is dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking, ongeacht dat het zonder kabels niet functioneert. De vaststelling van de gedraging was gebaseerd op duidelijke camerabeelden en foto’s waarop de bestuurder het apparaat vasthield.

De argumenten van de betrokkene konden geen twijfel zaaien over de juistheid van de gegevens. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €350 voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.554/01
CJIB-nummer
: 249621671
Uitspraak d.d.
: 8 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 11 april 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van €350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 mei 2022 om 14:18 uur op de Rijksweg A7 links in Zuidoostbeemster met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat [naam1] , de bestuurder van het voertuig (hierna: de bestuurder), erbij blijft dat hij geen mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. De bestuurder vraagt zich af hoe de ambtenaar en kantonrechter kunnen vaststellen dat het rechthoekige voorwerp dat hij op de foto vast heeft, een mobiel elektronisch apparaat is dat geschikt is voor communicatie of informatieverwerking. De enkele stelling dat het een zodanig apparaat betreft, zonder enige vermelding wat dan zou zijn vastgehouden, is volgens de bestuurder onvoldoende om hem deze gedraging te verwijten. Op de foto is in ieder geval duidelijk dat het geen mobiele telefoon betreft. De bestuurder heeft weliswaar zelf aangegeven dat er een pinapparaat in zijn buurt aanwezig was en hij heeft dit ook vastgehouden, maar dit is geen mobiel elektronisch apparaat als bedoeld in artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit pinapparaat is
namelijk niet in staat om draadloos te communiceren en bevat geen wifi of bluetooth. Het is enkel mogelijk om het met een kabel te voorzien van stroom en voor een internetverbinding dient het apparaat te worden aangesloten op een UTP kabel. In de bus waarin de bestuurder reed, heeft hij geen UTP kabel om het apparaat met internet te verbinden.
3. De onder 1 genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het RVV 1990. Dit artikel luidt als volgt:
“Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
4. De Nota van Toelichting bij het besluit van 24 juni 2019 tot wijziging van het RVV 1990 (uitbreiding verbod vasthouden mobiele telefoon in het verkeer, Stb. 2019, 237, pag. 5) houdt onder meer het volgende in:
“De term «mobiel elektronisch apparaat» is dus ruimer dan de huidige term «mobiele telefoon». Onder de nieuwe term vallen in ieder geval alle mobiele telefoons. Ook tabletcomputers, digitale foto- en videocamera’s, e-readers, laptops, mobiele navigatieapparaten, mobiele televisies en mediaspelers met een video- of audiofunctie vallen er in ieder geval onder, ook indien deze apparaten met snoeren en kabels zijn verbonden aan het voertuig.”
5. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende verklaring:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. (…)”
7. In het dossier bevinden zich verder de foto’s op grond waarvan de gedraging is vastgesteld. Op deze foto’s is het voertuig van de betrokkene te zien rijdend op de rechter rijstrook. Op de ingezoomde foto is te zien dat de bestuurder in zijn rechterhand, naast het stuur, een rechthoekig voorwerp vasthoudt waarvan de achterzijde en een deel van de zijkant een lichte kleur heeft en een ander deel van de zijkant een donkere kleur heeft. Het donkere deel is aan de onderzijde van het voorwerp voorzien van een verhoging om meekijken tegen te gaan. De bestuurder zit enigszins naar rechts gedraaid op zijn stoel en zijn ogen zijn niet gericht op de weg maar op het voorwerp in zijn rechterhand.
8. Anders dan de gemachtigde stelt, hoeft de ambtenaar niet te vermelden wat het voorwerp dat de bestuurder op de foto vasthoudt (volgens hem) is. Het voorwerp dat de bestuurder op de foto vasthoudt ziet eruit als een pinapparaat en de bestuurder erkent ook dat hij een pinapparaat heeft vastgehouden. Het hof is van oordeel dat een pinapparaat een mobiel elektronisch apparaat is dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking. Dat het pinapparaat dat de bestuurder vasthoudt feitelijk slechts zou kunnen functioneren als het met een stroom- en UTP-kabel is aangesloten en dit niet het geval was, zoals de gemachtigde stelt, maakt niet dat de gedraging niet kan worden vastgesteld.
9. De aangevoerde grond treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.