ECLI:NL:GHARL:2024:1215

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.329.320/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete voor vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden met matiging sanctie

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A4 in Den Haag. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete vanwege de lange termijn vernietigd moest worden. Het hof oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden en matigde de sanctie met 25%. Daarnaast werd de redelijke termijn van berechting overschreden, wat een verdere matiging van 25% rechtvaardigde.

De betrokkene voerde aan dat hij de telefoon alleen in de houder bediende, maar het hof vond de verklaring van de ambtenaar dat de telefoon werd vastgehouden overtuigend. De sanctie werd terecht aan de kentekenhouder opgelegd omdat staandehouding niet mogelijk was vanwege het ontbreken van stopmiddelen en de locatie op de autosnelweg. Het hof wees het verzoek om vernietiging van de beschikking af en matigde het sanctiebedrag tot €135.

Verder werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het betalen van proceskosten van €882,80 aan de betrokkene. Het arrest werd uitgesproken door mr. Van Schuijlenburg op 19 februari 2024 te Leeuwarden.

Uitkomst: Sanctiebedrag gematigd tot €135 wegens schending hoorplicht en termijnoverschrijding, beroep gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.329.320/01
CJIB-nummer
: 232661709
Uitspraak d.d.
: 19 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden.
2. Deze grond treft doel. Er doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. In het licht van bestendige vaste rechtspraak van het hof behoeft dit geen nadere motivering. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 maart 2020 om 13.11 uur op de Leidschendam 8 (A4) in
‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert tegen de inleidende beschikking primair aan dat de boete vanwege de lange termijn moet worden vernietigd. Subsidiair voert de gemachtigde aan dat onduidelijk is gebleven waarom de ambtenaar geen staandehouding heeft verricht. Deze kon eenvoudigweg de aandacht trekken van de betrokkene. De betrokkene persisteert geen telefoon te hebben vastgehouden, maar enkel te hebben bediend in de houder. Verder voert de gemachtigde aan dat vanwege de schending van de hoorplicht de sanctie moet worden gematigd met 25%.
5. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het genoemde voertuig langzamer reed dan de maximale snelheid en ik zag dat het genoemde voertuig gebruik maakte van twee rijstroken over een afstand van 400 meter. Ik zag dat de bestuurder een mobiele telefoon in zijn rechterhand vasthield en ik zag dat bestuurder meerdere malen naar zijn telefoon keek tijdens het rijden op de openbare weg. (…)
Reden geen staandehouding: voertuig was niet uitgerust met volg & stop aanwijzing.”
7. Het hof ziet in de enkele stelling dat de betrokkene de telefoon in de houder heeft bediend, geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar, die heeft gezien dat de bestuurder een mobiele telefoon vasthield in zijn rechterhand. De gedraging kan dan ook worden vastgesteld.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. Naar het oordeel van het hof is in dit geval de omstandigheid dat geen stopmiddelen in de auto aanwezig waren, voldoende om aan te nemen dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het zaakoverzicht blijkt dat de gedraging is geconstateerd op een autosnelweg. Feitelijk is het mogelijk om dan bijvoorbeeld een handgebaar te geven ten einde een bestuurder staande te houden, maar onder deze omstandigheid is van een reële mogelijkheid tot staandehouding geen sprake. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
10. Het hof zal gelet op wat is aangevoerd vervolgens beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
11. Het hof stelt vast dat de betrokkene in de fase van administratief beroep zelf, dat wil zeggen zonder (professioneel) gemachtigde, heeft geprocedeerd. Gelet op wat het hof heeft overwogen in het arrest van het hof van 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9934, leidt de in overweging 3. vastgestelde schending van de hoorplicht tot matiging van de sanctie van 25 procent.
12. Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het hof volstaat met matiging van het sanctiebedrag en zal niet, zoals door de gemachtigde verzocht, de inleidende beschikking vernietigen.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Verder zal het hof een vergoeding toekennen voor de kosten voor drie uittreksels van de Kamer van Koophandel van € 2,60 per stuk, die zijn opgevraagd naar aanleiding van de brief waarmee de gemachtigde is gewezen op het verzuim bedoelde machtigingen over te leggen. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 882,80 (= (2 x € 875,- x 0,5) +
€ 7,80).
14. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 135,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 882,80.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.