De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A4 in Den Haag. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete vanwege de lange termijn vernietigd moest worden. Het hof oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden en matigde de sanctie met 25%. Daarnaast werd de redelijke termijn van berechting overschreden, wat een verdere matiging van 25% rechtvaardigde.
De betrokkene voerde aan dat hij de telefoon alleen in de houder bediende, maar het hof vond de verklaring van de ambtenaar dat de telefoon werd vastgehouden overtuigend. De sanctie werd terecht aan de kentekenhouder opgelegd omdat staandehouding niet mogelijk was vanwege het ontbreken van stopmiddelen en de locatie op de autosnelweg. Het hof wees het verzoek om vernietiging van de beschikking af en matigde het sanctiebedrag tot €135.
Verder werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het betalen van proceskosten van €882,80 aan de betrokkene. Het arrest werd uitgesproken door mr. Van Schuijlenburg op 19 februari 2024 te Leeuwarden.