ECLI:NL:GHARL:2024:1231

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
21-001232-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging doodslag, openlijke geweldpleging en diefstal met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 13 februari 2024 het vonnis van de rechtbank Overijssel vernietigd voor het strafdeel en heeft een gevangenisstraf van 40 maanden opgelegd, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag, openlijke geweldpleging tegen personen en diefstal.

De feiten betreffen het samen met een medeverdachte meenemen van een weerloos slachtoffer, dat door overmatig drankgebruik niet bij machte was zich te verdedigen, naar een stil steegje waar zij hem vernederden door over hem heen te urineren en hem meerdere keren hard tegen hoofd en lichaam te trappen. Deze handelingen werden gefilmd terwijl de verdachten lachten. Het slachtoffer liep een gebroken neus en hersenschudding op en ondervindt nog steeds psychische gevolgen.

Het hof achtte het bewezenverklaarde zwaarwegend en veroordeelde verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, mede op advies van de reclassering. De schadevergoeding aan het slachtoffer werd toegewezen tot een bedrag van €3.602,83, bestaande uit materiële en immateriële schade. De benadeelde partij werd voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het hof legde tevens dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf waarvan 14 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001232-23
Uitspraak d.d.: 13 februari 2024
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 28 februari 2023 met parketnummer 08-228007-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
thans verblijvende in P.I. [naam] te [plaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.B.A. Kalk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van medeplegen poging doodslag, openlijke geweldpleging tegen personen en diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft voorts de vordering van de benadeelde partij [benadeelde ] toegewezen tot een bedrag van € 3.602,72 hoofdelijk, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is ten aanzien van de resterende vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het de opgelegde straf betreft.
Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Gelet op de omstandigheid dat hierdoor ook de beslissing ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel bij de vordering benadeelde partij wordt vernietigd, zal het hof ook de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij vernietigen.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 40 maanden gevorderd waarvan 14 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. De advocaat-generaal heeft voorts de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit tot oplegging van een straf gelijk aan de eis van de advocaat-generaal. De raadsman geeft daarnaast nog in overweging om bij een lager onvoorwaardelijk strafdeel het gat tussen 17 en 26 maanden gevangenisstraf te dichten door daarnaast een taakstraf van 240 uren op te leggen.
Beoordeling van het gerechtshof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte samen met zijn medeverdachte een voor hen onbekende jongen, die duidelijk weerloos was door overmatig drankgebruik, heeft meegenomen naar een stil steegje, waar ze over hem heen hebben geürineerd en hem vervolgens meerdere keren akelig hard tegen zijn hoofd en lichaam hebben getrapt. Ze hebben deze vernederingen en het geweld gefilmd. Op de heftige beelden is te horen dat beide verdachten lachen. Verder is te zien dat het slachtoffer al vanaf het begin flink aan het bloeden was in zijn gezicht en het hof neemt het verdachte zeer kwalijk dat het zinloze geweld tegen het slachtoffer desondanks gewoon is doorgegaan. Ze hebben het slachtoffer daarna hulpeloos achtergelaten. Zeer kwalijk is verder dat de in het uitgaansgebied dienstdoende politieagenten vlak daarvoor door de verdachten in de veronderstelling zijn gebracht dat voor het slachtoffer gezorgd zou worden en dat hij veilig thuis zou komen. En ook het delen van de gemaakte videobeelden neemt het hof verdachte zeer kwalijk. Het slachtoffer heeft aan de geweldshandelingen een gebroken neus en een hersenschudding overgehouden. Dat het slechts bij dit letsel is gebleven is niet aan verdachte te danken. Integendeel; dit had veel erger, zo niet fataal af kunnen lopen. Na bestudering van de beschikbare filmbeelden heeft het Nederlands Forensisch Instituut gerapporteerd dat het slachtoffer door het uitgeoefende geweld had kunnen overlijden. Verdachte heeft daarnaast het hoedje van het slachtoffer gestolen. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk heftig en zinloos geweldsdelict nog lange tijd last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Het slachtoffer heeft aangegeven dat hij tot op de dag van vandaag last heeft van de tegen hem begane feiten. Hoewel hij fysiek weer op de been is gekomen, ondervindt hij nog steeds veel hinder, doordat hij angstig en schrikachtig is geworden voor situaties die hem doen denken aan het gebeurde. Zo gaat het slachtoffer nog steeds niet uit, wat gezien zijn leeftijd een hard gelag moet zijn. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in zijn algemeenheid. Het hof houdt daarnaast rekening met een recent uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte ondanks zijn jonge leeftijd in het verleden al meerdere keren is veroordeeld waaronder ook voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De reclassering heeft geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft verdachte, (nogmaals) geconfronteerd met de ernst van hetgeen hij heeft gedaan en de gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft gehad, slechts heel voorzichtig laten zien dat hij bereid is op zoek te gaan naar de oorzaak van zijn handelen, en naar datgene wat hij nog moet leren om hopelijk nooit meer in zulk volstrekt onnodig, zeer gewelddadig gedrag te vervallen. De ter zitting getoonde schuldgevoelens lijken nog steeds niet erg doorleeft. Zo lijkt verdachte meer bezig met de vraag wat voor zin het nog heeft om langer of nog lang vast te zitten dan met wat hij het slachtoffer heeft aangedaan. Hij stelt zichzelf hiermee centraal en dat is zorgelijk.
Al het voorgaande kan naar het oordeel van het hof de gevangenisstraf die verdachte door de rechtbank is opgelegd dragen.
Toch ziet het hof aanleiding om de opgelegde straf te minderen. Daarvoor is vooral van gewicht hetgeen het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep op indrukwekkende wijze naar voren heeft gebracht. Nadat hij hele lange tijd vooral heel boos en verdrietig is geweest om het gebeuren, is hij inmiddels tot het inzicht gekomen dat de verdachte vooral goede hulp nodig heeft voordat hij weer terug komt in de maatschappij: een celstraf alleen zal verdachte niet op de goede weg helpen. Het slachtoffer kan zich om die reden vinden in een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, gericht op gedwongen hulpverlening aan verdachte. Het is bewonderingswaardig dat het slachtoffer benoemt dat verdachte een tweede kans toekomt. Gelet op de nog jonge leeftijd van de verdachte, zijn aarzelende eerste stappen richting inzicht en begeleiding, is het hof van oordeel dat oplegging van een deels voorwaardelijk gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering thans passend en geboden is.
Dadelijk uitvoerbaarheid
Het hof vindt in alle omstandigheden, waaronder het recidiverisico, aanleiding te oordelen dat de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moet zijn en zal dan ook bevelen dat bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zullen zijn.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde ]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.802,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.602,83. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd tot toewijzing van de vordering zoals de rechtbank heeft gedaan.
De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij aangegeven dat verdachte bereid is de vordering te betalen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte (en zijn medeverdachte) is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het restant van de vordering (een bedrag van € 199,89) heeft betrekking op het aanvankelijk onder 3 tenlastegelegde feit, waarvoor verdachte is vrijgesproken. In dit deel van de vordering zal het hof, conform de rechtbank, de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaren.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 55, 57, 63, 141, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf van 4 jaren. En doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren:
  • aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of;
  • de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;
  • of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland, [Straatnaam] te [plaats 2] ; verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • verdachte zich laat behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering; de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorgverlener dat nodig vindt;
  • verdachte geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod; de controle gebeurt met urineonderzoek; de reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
  • verdachte geen alcohol gebruikt, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren; de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde ]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde ] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.602,83 (drieduizend zeshonderdtwee euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 602,83 (zeshonderdtwee euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde ] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.602,83 (drieduizend zeshonderdtwee euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 602,83 (zeshonderdtwee euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 augustus 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. I.P.H.M. Severeijns, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.C.S. Huijbers, griffier,
en op 13 februari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.