ECLI:NL:GHARL:2024:1238

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.328.839/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 3 lid 2 WahvArt. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens hinderen verkeer door fout parkeren in parkeerverbodszone

De betrokkene kreeg een sanctie van €140 opgelegd voor het hinderen van verkeer door het voertuig buiten een parkeervak te parkeren in een parkeerverbodszone op 13 augustus 2020 in Gouda. De betrokkene stelde dat alleen de lagere sanctie voor parkeren in een parkeerverbodszone van toepassing was en verzocht vernietiging van de beschikking.

Het hof oordeelt dat de gedraging met feitcode R395 (hinderen verkeer) terecht is vastgesteld, omdat het voertuig zo stond geparkeerd dat hulpdiensten en andere voertuigen niet konden passeren. De lagere sanctie voor parkeren in een parkeerverbodszone dekt niet alle hinder die is veroorzaakt.

Wel is de redelijke termijn voor berechting overschreden, waardoor het hof de sanctie matigt met 25%. Tevens worden proceskosten van €875 toegekend aan de betrokkene. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijzigt de sanctie naar €105.

Uitkomst: Sanctie wegens hinderen verkeer gehandhaafd met matiging naar €105 en proceskostenvergoeding van €875 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.839/01
CJIB-nummer
: 235801875
Uitspraak d.d.
: 20 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Daarnaast is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 8 januari 2024 heeft de gemachtigde van de betrokkene het zittingsverzoek ingetrokken.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor de gedraging met feitcode R395: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 augustus 2020 om 12:05 uur op de locatie Gerrit Raesenerf in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat er alleen een sanctie voor het overtreden van de algemene hinderbepaling kan worden opgelegd, wanneer de gedraging niet valt onder een specifieke feitcode met een lager sanctiebedrag. Dat is in deze zaak niet het geval. Het voertuig van de betrokkene stond namelijk buiten een parkeervak geparkeerd in een parkeersverbodszone. Aldus kan er wel een specifieke hindergedraging worden vastgesteld, namelijk de gedraging met feitcode R584 met een sanctiebedrag van € 95,-. De kantonrechter had de feitcode dus moeten wijzigen. Gelet op fase waarin de procedure zich thans bevindt, verzoekt de gemachtigde het hof om hiertoe niet meer over te gaan, maar om de inleidende beschikking te vernietigen.
3. De advocaat-generaal stelt zich met de gemachtigde op het standpunt dat in dit geval geen sanctie kan worden opgelegd voor de gedraging met feitcode R395 en verzoekt het hof om de feitcode te wijzigen in R584.
4. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), dat luidt:
"Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd".
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig op zodanig wijze op de weg stond waardoor de doorgang voor het verkeer werd dan wel kon worden geblokkeerd. De situatie was als volgt: geen andere auto kan erdoor.”
7. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2020, waarin de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende verklaart:
“Op 13 augustus 2020 omstreeks 12:05 uur bevond ik mij op de locatie Gerrit Raesenerf te Gouda. Daar zag ik toen dat een vierwielig motorvoertuig, gekentekend [kenteken] , zodanig voor de doorgang geparkeerd stond dat er geen hulpdiensten of motorvoertuigen door konden rijden. Van de verkeerssituatie heb ik ter plaatse een foto gemaakt. Op de foto is te zien dat er niet genoeg ruimte over is voor de voertuigen van de hulpdiensten of bewoners om het Gerrit Reasenerf ongehinderd in te rijden.”
8. Bij dit proces-verbaal is het brondocument gevoegd met daarbij de foto’s die de ambtenaar ter plaatse heeft gemaakt. Op deze foto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene buiten een parkeervak langs een schutting vlak voor een bocht staat geparkeerd. De doorgang naar het na die bocht gelegen gedeelte van het Gerrit Raesenerf is hierdoor vrij beperkt.
9. Gelet op de verklaringen van de ambtenaar en de foto's in het dossier staat naar het oordeel van het hof vast dat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze stond geparkeerd dat het verkeer op de weg kon worden gehinderd. De hinder bestond eruit dat de doorgang zodanig werd beperkt dat bredere voertuigen, zoals die van de hulpdiensten, in het geheel niet konden passeren en kleinere voertuigen met moeite. Verder konden de bestuurders uit de tegengestelde richting worden gehinderd door het voertuig van de betrokkene, nu vanuit die richting het zicht op dat voertuig werd geblokkeerd door een schutting en zij na het nemen van de bocht dus plotseling werden geconfronteerd met een voertuig dat men daar niet hoeft te verwachten. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode R395 is verricht.
10. De omstandigheid dat in dit geval ook een sanctie (met een lager bedrag) kon worden opgelegd voor de gedraging met feitcode R584 (parkeren in een parkeerverbodszone) brengt niet mee dat het de ambtenaar in deze situatie niet vrijstond om een sanctie op te leggen voor overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994. Niet alle geconstateerde hinder kan namelijk geacht worden te zijn verdisconteerd in de gedraging met die specifieke feitcode. De sanctie is dan ook terecht opgelegd voor de gedraging met feitcode R395.
11. Verder voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden en verzoekt het hof daarom het bedrag van de sanctie te matigen met 25 procent.
12. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is aan de betrokkene verzonden op 1 september 2020 en de kantonrechter heeft eerst op 26 mei 2023 beslist op het beroep. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
13. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in 105,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.