ECLI:NL:GHARL:2024:1352

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2024
Publicatiedatum
23 februari 2024
Zaaknummer
200.330.606/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €170 voor het doorrijden bij een rood tweekleurig verkeerslicht. De kantonrechter wijzigde de feitcode naar niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht en matigde de sanctie met 25%, tot €134,25 inclusief administratiekosten.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de matiging onjuist was toegepast en dat het sanctiebedrag te laag was vastgesteld, wat volgens hem de belangen van de betrokkene schaadde. Tevens werd aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat een verdere matiging van de sanctie met 25% rechtvaardigde.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter het sanctiebedrag inderdaad te laag had vastgesteld, maar dat de betrokkene hierdoor niet in zijn belangen was geschaad. Wel stelde het hof vast dat de redelijke termijn van berechting was overschreden en matigde het sanctiebedrag verder met 25%, waardoor het nieuwe sanctiebedrag €93,94 bedraagt.

Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep werd afgewezen, aangezien reeds een vergoeding was toegekend voor de procedure bij de kantonrechter. Het hof vernietigde de eerdere beslissingen en wijzigde de inleidende beschikking overeenkomstig.

Uitkomst: Sanctie voor niet stoppen voor rood licht gematigd tot €93,94 en eerdere beslissingen vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.606/01
CJIB-nummer
: 239445792
Uitspraak d.d.
: 23 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking gewijzigd, in zoverre dat de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in respectievelijk “602”, “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht” en “€ 134,25 (inclusief administratiekosten)”. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 837,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 170,- voor: “R604 - doorrijden bij een tweekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 februari 2021 om 10.07 uur op de Prinses Beatrixlaan in Rijswijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de feitcode met bijbehorende omschrijving gewijzigd in “R602 - Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht” met als sanctiebedrag € 170,-. De kantonrechter heeft verder overwogen aanleiding te zien om het sanctiebedrag te matigen met 25 procent, omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en de betrokkene in administratief beroep zonder (professioneel) gemachtigde procedeerde. De kantonrechter heeft, blijkens het dictum, het sanctiebedrag gematigd tot € 134,25, inclusief administratiekosten.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit het dictum van de beslissing van de kantonrechter volgt dat het bedrag van de sanctie is vastgesteld op € 125,25, exclusief administratiekosten. Dat is onjuist, aangezien het sanctiebedrag € 127,50, exclusief administratiekosten behoort te zijn na het matigen van het sanctiebedrag met 25 procent. De gemachtigde stelt dat de betrokkene wordt geschaad in zijn rechtens te respecteren belangen indien het juiste (hogere) sanctiebedrag alsnog wordt toegepast. De gemachtigde verzoekt het hof om de inleidende beschikking te vernietigen.
4. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte het sanctiebedrag heeft gematigd tot € 125,25, exclusief administratiekosten, nu de kantonrechter heeft overwogen dat het sanctiebedrag van € 170,- dient te worden gematigd met 25 procent. De gemachtigde heeft terecht opgemerkt dat het door de kantonrechter vastgestelde sanctiebedrag te laag is.
5. Niet valt in te zien dat de betrokkene hierdoor in zijn belangen is geschaad. Deze grond leidt niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.
6. De gemachtigde voert voorts aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en dat de kantonrechter heeft miskend dat die overschrijding had moeten leiden tot een matiging van het bedrag van de sanctie met 25 procent. De gemachtigde verzoekt het hof om het sanctiebedrag met 25 procent te matigen.
7. Het hof stelt vast dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het door de kantonrechter vastgestelde bedrag van de sanctie van € 125,25 (verder) matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
8. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Het hof stelt vast dat voor de in de procedure bij de kantonrechter verrichte proceshandelingen reeds een proceskostenvergoeding is toegekend. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de in hoger beroep verrichte proceshandeling bestaat gelet op voormeld arrest van 28 juli 2023 geen aanleiding.
9. Het voorgaande leidt tot de onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond is verklaard en die beslissing alsmede de inleidende beschikking zijn gewijzigd;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat de feitcode wordt gewijzigd in R602 met als bijbehorende omschrijving van de gedraging “als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht” en het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 93,94;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.