ECLI:NL:GHARL:2024:1394

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2024
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.330.712
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie en proceskostenvergoeding in Wahv-zaken met matiging wegens termijnoverschrijding

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €390 wegens het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig op 23 april 2020. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €250 en kende een proceskostenvergoeding toe van €1.284,75.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat volgens hem een matiging van 25% van de sanctie zou rechtvaardigen. Het hof stelde vast dat de kantonrechter deze matiging niet had toegepast en matigde daarom alsnog de sanctie tot €187,50.

Verder voerde de gemachtigde aan dat hij tweemaal was verschenen bij zittingen van de kantonrechter en daarom recht had op een hogere proceskostenvergoeding. Het hof oordeelde echter dat de eerste zitting, een draagkrachtzitting, geen relevante bijdrage opleverde omdat de gemachtigde niet had toegelicht waarom zekerheid niet kon worden gesteld. Hierdoor was het verschijnen op die zitting niet redelijkerwijs noodzakelijk en werd het verzoek om extra proceskostenvergoeding afgewezen.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter voor zover deze het beroep gedeeltelijk gegrond verklaarde, wijzigde de sanctie, en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af. Tevens werd bepaald dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: De sanctie wordt gematigd tot €187,50 en het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.712/01
CJIB-nummer
: 233279055
Uitspraak d.d.
: 26 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 12 juli 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie gewijzigd en het bedrag van de sanctie gesteld op € 250,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.284,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “als bestuurder van een motorvoertuig, bromfiets of snorfiets onnodig geluid veroorzaken met dat voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 april 2020 om 16.46 uur op de Kanaalstraat in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging is verlaagd naar € 250,-.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en de kantonrechter heeft miskend dat die overschrijding had moeten leiden tot een matiging van het bedrag van de sanctie met 25 procent. De gemachtigde verzoekt het hof om het sanctiebedrag met 25 procent te matigen.
4. De kantonrechter heeft overwogen dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het hof stelt evenwel vast dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat gelet op die overschrijding het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie alsnog matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
5. De gemachtigde voert voorts aan dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding onjuist heeft vastgesteld. De gemachtigde is op twee zittingen van de kantonrechter verschenen, terwijl de kantonrechter bij het toekennen van de proceskostenvergoeding slechts rekening heeft gehouden met het verschijnen op één zitting van de kantonrechter. De gemachtigde verzoekt het hof om een juiste proceskostenvergoeding vast te stellen.
6. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding en bij het vaststellen van die vergoeding één punt toegekend voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter. De kantonrechter heeft in dit verband overwogen dat tweemaal een zitting bij de kantonrechter heeft plaatsgevonden. De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter aangevoerd dat de betrokkene financieel niet in staat is om zekerheid te stellen. De gemachtigde is vervolgens voor een zitting van de kantonrechter uitgenodigd om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen de financiële situatie van de betrokkene toe te lichten en het draagkrachtverweer te onderbouwen met stukken. De gemachtigde heeft op de zitting niet kunnen toelichten of met stukken onderbouwd waarom de betrokkene geen zekerheid kon stellen. De betrokkene heeft op de zitting de gelegenheid gekregen om het verzuim te herstellen, maar dat maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de gemachtigde daarvoor een proceskostenvergoeding dient te krijgen. Het had volgens de kantonrechter op de weg van de gemachtigde gelegen om bij de betrokkene te informeren of deze de zekerheid had betaald, teneinde op die wijze te voorkomen dat er een extra zitting noodzakelijk was.
7. Het hof stelt het volgende vast. In het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 2 december 2020 brengt de gemachtigde naar voren dat de betrokkene (thans) onvoldoende financiële middelen heeft om zekerheid te kunnen stellen. Gelet hierop wordt de kantonrechter namens de betrokkene verzocht om het beroep inhoudelijk te behandelen zonder dat zekerheid is gesteld. De betrokkene zal wel proberen alsnog zekerheid te stellen, aldus de gemachtigde. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 13 september 2022 bericht dat er niet binnen de daarvoor door de wet gegeven termijn zekerheid is gesteld voor betaling van de opgelegde sanctie en de administratiekosten. Met dikgedrukte letters is in de brief benadrukt dat deze zekerheidstelling aan de behandeling van het beroep voorafgaat. De kantonrechter zal het beroep behandelen op de zitting van 10 november 2022. Op de zitting kan worden toegelicht waarom het stellen van zekerheid de financiële positie van de betrokkene te boven gaat. Het meebrengen van bewijsstukken waaruit de financiële positie van de betrokkene blijkt, wordt (met dikgedrukte letters) aangeraden. Op de zitting van de kantonrechter van 10 november 2022 is de gemachtigde verschenen. Naar aanleiding van die zitting is een tussenbeslissing d.d. 10 november 2022 opgemaakt. Hierin heeft de kantonrechter overwogen dat de betrokkene niet ter zitting is verschenen om nader toe te lichten waarom hij niet in staat is zekerheid te stellen. De gemachtigde heeft dat evenmin nader kunnen toelichten. De kantonrechter heeft bepaald dat de betrokkene binnen vier weken na de dag van verzending van de beslissing zekerheid dient te stellen. Vervolgens is het beroep behandeld ter zitting van de kantonrechter van 14 juni 2023. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de gemachtigde is verschenen en de betrokkene op 10 november 2022 zekerheid heeft gesteld. In het hoger beroepschrift heeft de gemachtigde zijn standpunt dat de kantonrechter ten onrechte één punt heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, terwijl de gemachtigde tweemaal ter zitting van de kantonrechter is verschenen, niet met argumenten geschraagd.
8. Nu in het onderhavige geval de gemachtigde is verschenen zowel ter zitting van 10 november 2022 als ter nadere zitting na tussenuitspraak van 14 juni 2023, had de kantonrechter in beginsel voor het verschijnen ter beide zittingen één punt per zitting moeten toekennen (zie nummers 13 en 14 van onderdeel A1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht) (vgl. de arresten van het hof van 3 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8439 en 21 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6244).
9. Ingevolge artikel 13a, eerste lid, van de Wahv is de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
10. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de kantonrechter de (gemachtigde van de) betrokkene behoort uit te nodigen voor een zitting wanneer tijdig een draagkrachtverweer wordt gevoerd. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
11. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter voldoende gemotiveerd waarom de gemachtigde op voorhand had kunnen weten dat het verschijnen op de eerste (draagkracht)zitting van de kantonrechter geen toegevoegde waarde zou hebben, nu de gemachtigde op die zitting niet heeft kunnen toelichten of met stukken heeft onderbouwd waarom de betrokkene geen zekerheid kon stellen en de gemachtigde het houden van een extra zitting had kunnen voorkomen door bij de betrokkene te informeren of hij zekerheid had gesteld. De kantonrechter heeft aldus inzichtelijk gemaakt dat het verschijnen ter zitting van 10 november 2022 door de gemachtigde achterwege had kunnen blijven. Nu de gemachtigde, voorafgaand aan het verschijnen op de draagkrachtzitting niet bij de betrokkene had geïnformeerd of deze inmiddels zekerheid had gesteld en zo nee, of en wanneer de betrokkene dat wel kon doen, kon de gemachtigde immers geen enkele relevante bijdrage leveren aan de - blijkens de oproepingsbrief - tijdens die zitting te beantwoorden rechtsvraag. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van redelijkerwijs gemaakte proceskosten in de zin van artikel 13a, eerste lid, van de Wahv door de gemachtigde voor het verschijnen op die zitting, zodat de kantonrechter terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting van 10 november 2022 van de kantonrechter. De grond dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding onjuist heeft vastgesteld, treft derhalve geen doel.
12. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Het hof stelt vast dat voor de in de procedure bij de kantonrechter verrichte proceshandelingen reeds een proceskostenvergoeding is toegekend. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de in hoger beroep verrichte proceshandeling bestaat gelet op voormeld arrest van 28 juli 2023 geen aanleiding.
13. Het voorgaande leidt tot de onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond is verklaard, die beslissing is gewijzigd en het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking is gewijzigd;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.