Deze zaak betreft een verzetprocedure van verzoeker tegen de hoogte van het griffierecht dat door de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is vastgesteld. Verzoeker betoogt dat het tarief voor natuurlijke personen had moeten gelden omdat het verweerschrift slechts namens hem als belanghebbende is ingediend en niet namens de VvE.
De griffier stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk is omdat het verzet niet door een advocaat is ingediend, alleen degene die het griffierecht heeft betaald verzet kan instellen, en de termijn voor het indienen van verzet is verstreken. Subsidiair voert de griffier aan dat het verweerschrift door de advocaat namens zowel de VvE als verzoeker is ingediend, waardoor het hogere tarief terecht is geheven.
Het hof overweegt dat het griffierecht op 25 augustus 2023 is voldaan en de termijn van een maand voor het indienen van verzet op die datum is gestart. Het verzet van verzoeker, ingediend per e-mail op 21 november 2023, is buiten deze termijn ontvangen. Ook eerdere e-mails van de advocaat zijn te laat. Daarom verklaart het hof verzoeker niet-ontvankelijk en komt het niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzet.