Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen hadden een relatie van november 2019 tot begin 2022. Verweerster is de moeder en gezagsdrager van de minderjarige, geboren in 2021. Verzoekster vroeg om een omgangsregeling met de minderjarige, maar de rechtbank verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat geen nauwe persoonlijke betrekking was aangetoond.
In hoger beroep betoogde verzoekster dat zij een gezin vormde met verweerster en de minderjarige, en dat zij een belangrijke rol had in de verzorging. Verweerster betwistte dit en stelde dat de relatie een knipperlichtrelatie was zonder gezamenlijke gezinsvorming. Het hof stelde vast dat er geen sprake was van een ‘intended family life’ en dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een nauwe persoonlijke betrekking had opgebouwd.
Gezien het ontbreken van biologische verwantschap en de complexe, korte en gespannen relatie tussen partijen, oordeelde het hof dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De bestreden beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot omgangsregeling wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking.