ECLI:NL:GHARL:2024:1619

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.332.355
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete voor niet dragen autogordel als passagier

De betrokkene werd beboet voor het niet dragen van een autogordel als passagier in een voertuig op 30 mei 2021 in Delft. De kantonrechter matigde de sanctie vanwege overschrijding van de redelijke termijn en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

De verdediging voerde aan dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende was omdat deze niet op ambtsbelofte was opgemaakt en dat getuigenverklaringen twijfel zaaiden over het feit dat de gordel niet gedragen werd. Het hof oordeelde dat de waarneming van de ambtenaar betrouwbaar was gezien het directe zicht op de passagier en dat de getuigenverklaringen onvoldoende gewicht hadden om hieraan te twijfelen.

Voorts stelde het hof vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg met vier maanden was verlengd vanwege een aan de betrokkene toe te rekenen verweer, waardoor de matiging van de sanctie door de kantonrechter onterecht was. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor het niet dragen van een autogordel door de passagier en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.355/01
CJIB-nummer
: 241581529
Uitspraak d.d.
: 5 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 augustus 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 121,50 (inclusief administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 mei 2021 om 21.01 uur op de Bachsingel (t.h.v. huisnummer 45) in Delft met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat in deze zaak geen sprake is van een op ambtsbelofte opgemaakte verklaring van de ambtenaar. Er is slechts een verklaring die is vervat in het zaakoverzicht. Gelet op de consistente ontkennende verklaring van de betrokkene en de ingebrachte getuigenverklaringen, is gerede twijfel ontstaan over de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar. Nu de officier van justitie ook geen aanvullend proces-verbaal heeft opgevraagd, kan de gedraging niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
3. De Wahv stelt niet de eis dat aan de oplegging van een administratieve sanctie een op ambtsbelofte of -eed opgemaakt proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant (…), reed op genoemde d.d.t. (het hof begrijpt: dag, datum en tijd) op de Schubertlaan in de richting van de Bachsingel in Delft. Ik zag dat er een grijze Ford Fiesta vanaf de Buitenhofdreef richting de Vivaldilaan reed. Ik zag dat er een bijrijder op de bijrijdersstoel zat. Ik zag dat de bijrijder geen gordel droeg. Ik kon dat zien omdat de stoel van de bijrijder iets naar voren stond. Hierdoor zag ik geen (gespannen) gordel. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend.
Verklaring betrokkene: Jij kan niet hebben gezien dat ik geen gordel droeg, want ik had een gordel om.”
5. Het hof ziet in dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de waarneming van de ambtenaar dat de betrokkene, als passagier op de bijrijdersstoel van het voertuig met het kenteken [kenteken] , geen gordel droeg. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het voertuig op de Bachsingel (komende vanaf links) voor het voertuig van de ambtenaar langs reed, zodat de ambtenaar direct en vrij zicht had in het voertuig en op de bijrijder. De door de gemachtigde ingebrachte getuigenverklaringen van de bestuurder en een andere passagier van het voertuig maken dit niet anders. Het hof acht deze verklaringen - die dateren van geruime tijd na de gedraging - niet van zodanig gewicht dat aan de verklaring van de ambtenaar moet worden getwijfeld. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
6. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Door matiging van het sanctiebedrag vanwege schending van de redelijke termijn van berechting is de betrokkene immers in het gelijk gesteld.
7. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in dit geval ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn van berechting is met vier maanden verlengd in verband met een aan de betrokkene toe te rekenen behandeling van een draagkrachtverweer (vgl. het arrest van het hof van 25 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:656). Dit betekent dat de kantonrechter het sanctiebedrag ten onrechte heeft gematigd en de betrokkene ten onrechte in het gelijk heeft gesteld. Er bestaat daarom geen rechtens te honoreren belang bij vergoeding van de gemaakte proceskosten (vgl. het arrest van het hof van 16 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4561).
8. De gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er bestaat geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.