Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de verdeling van de financiële afwikkeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap centraal, met name de verdeling van de door de man betaalde inkomstenbelasting over de verkoop van een camping in Zweden en de verdeling van het saldo op een zakelijke rekening en een BTW-vordering.
Het hof verwijst naar eerdere tussenbeschikkingen en constateert dat de man onvoldoende heeft aangetoond hoeveel belasting specifiek verschuldigd is over de verkoop van de camping en wat er met de zakelijke rekening en BTW-vordering is gebeurd. Op basis van de stukken, waaronder een verklaring van een accountant, wordt geoordeeld dat de vrouw recht heeft op de helft van de door de man betaalde inkomstenbelasting over 2019 en een deel van 2020, terwijl de belasting over 2021 en 2022 volledig voor rekening van de man blijft.
Daarnaast wordt bepaald dat het saldo op de zakelijke rekening en de BTW-vordering, voor zover nog niet verdeeld, alsnog gelijkelijk tussen partijen moet worden verdeeld. De overige grieven van partijen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vrouw krijgt recht op vergoeding van de helft van de inkomstenbelasting over 2019 en een deel van 2020 en op de helft van het saldo op de zakelijke rekening en BTW-vordering; overige grieven worden afgewezen.