ECLI:NL:GHARL:2024:1725

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.331.386
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.2 RvArt. 5.18.6 RvArt. 9 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie voor niet afgedekte losse lading op aanhanger met puin

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd voor het rijden met een voertuig waarbij losse lading niet deugdelijk was afgedekt, wat gevaar of hinder kon veroorzaken. De overtreding vond plaats op 23 september 2021 op de Rijksweg A58 te Rucphen met een aanhanger geladen met puin.

De gemachtigde van de betrokkene erkende het niet afdekken van de lading, maar stelde dat er geen gevaar of hinder kon ontstaan vanwege de diepte van de laadbak, het gewicht van de lading en de rijomstandigheden (maximaal 80 km/u overdag). Het hof oordeelde dat de stukken puin als losse lading gelden en dat het risico op afvallen door manoeuvres of wegdekoneffenheden aanwezig was, ook al was de kans klein.

Het hof bevestigde dat de gedraging was verricht en dat een sanctie terecht was opgelegd, maar matigde het sanctiebedrag van €400 naar €200 vanwege de geringe kans op afvallen onder de gegeven omstandigheden. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.624,50.

De eerdere beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Het arrest werd uitgesproken door mr. Van Schuijlenburg op 11 maart 2024 te Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof matigt de sanctie voor het rijden met niet afgedekte losse lading van €400 naar €200 wegens geringe kans op afvallen van de lading.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.331.386/01
CJIB-nummer
: 245049399
Uitspraak d.d.
: 11 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 16 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. E.A.C. van Osta, kantoorhoudende te Sint Willebrord.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “Met een voertuig rijden met gevaar dat de niet deugdelijk afgedekte losse lading eraf valt”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 september 2021 om 13:31 uur op de Rijksweg (A58) in Rucphen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet ontkent dat hij met niet afgedekte losse lading heeft gereden, maar stelt dat er geen gevaar of hinder kon ontstaan omdat de lading niet van de aanhanger af kon vallen of weg kon waaien, gezien de omstandigheden van het geval. De gemachtigde wijst daarbij op de foto in het dossier waarop is te zien dat de laadbak een diepte van 50 centimeter heeft, dat er minstens 20 centimeter onder de randen van de zijschotten is geladen en dat het gros van de lading zware stukken steen betreft. Voorts brengt de gemachtigde naar voren dat de aanhanger van de betrokkene de zwaarste uitvoering is die bestaat en wel 2500 kilogram kan houden. Bovendien reed de betrokkene overdag op de autosnelweg met een snelheid van maximaal 80 kilometer per uur.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.1.2 in samenhang met artikel 5.18.6, tweede lid, van de Regeling voertuigen (Rv).
4. Artikel 5.1.2 Rv luidt, voor zover hier van belang:
“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden (…), indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”
5. Artikel 5.18.6 Rv, tweede lid, luidt:
“Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.”
6. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een zaakoverzicht met de verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaring houdt in dat de ambtenaar zag het betreffende motorvoertuig met een aanhanger puin vervoerde zonder dit af te dekken en met het gevaar dat het eruit valt.
7. Ook is in het zaakoverzicht vermeld dat een fotografische opname is bijgevoegd. Deze bevindt zich ook bij de stukken. Hierop is een laadbak van een aanhangwagen te zien die tot ongeveer de helft van de hoogte van de zijschotten is gevuld met stukken puin. De lading is niet afgedekt.
8. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van 21 mei 2022, waarin de ambtenaar het volgende verklaart: “Ik, (…) kan u vertellen dat de bekeuring zeer terecht is want de losliggende lading kan in combinatie met snelheid, hobbels in het wegdek, wind of plotseling remmen uit de aanhanger vallen ongeacht hoe diep de aanhanger is. De lading zou afgedekt moeten zijn om te zorgen dat het overige verkeer op de openbare weg geen gevaar loopt op afgevallen lading.”
9. Voor de vraag of de lading die door de betrokkene vervoerd werd afgedekt moest worden, is bepalend of er gevaar of hinder is ontstaan of kon ontstaan door afvallende of wegwaaiende lading.
10. Naar het oordeel van het hof is dat wel het geval. Het gaat hier om stukken puin die niet waren afgedekt. Stukken puin vallen onder het begrip losse lading als bedoeld in artikel 5.18.6, tweede lid, Rv. Bij het niet afdekken van stukken puin bestaat het risico dat deze losse lading door plotselinge manoeuvres van de bestuurder of het rijden door kuilen of over verkeersdrempels van de aanhangwagen valt. Dat die kans daarop in dit geval, onder de door de gemachtigde geschetste omstandigheden, niet heel groot was, doet hier niet aan af. Op zichzelf is een situatie waarbij hinder of gevaar kan ontstaan al verboden. Aldus is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en is daarvoor terecht een sanctie opgelegd aan de betrokkene.
11. Gelet op hetgeen is aangevoerd dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en waarin hij verkeert, van dien aard zijn dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel aanleiding geven de sanctie te matigen (vgl. artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv).
12. Het hof is van oordeel dat in dit geval de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht aanleiding geven tot matiging van het bedrag van de sanctie. Het hof acht daartoe van belang dat onder de door de gemachtigde geschetste omstandigheden de kans dat de lading uit de laadbak valt in relevante mate geringer is dan onder andere omstandigheden die de regelgever bij het bepalen van de hoogte van de sanctie ook voor ogen had. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie wijzigen in € 200,-.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter dienen in totaal vier punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.624,50,
= (1 x € 624,- x 0,5) + (3x € 875,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in € 200,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.624,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.