De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €350 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 29 maart 2022 in Den Haag. De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht tevens om proceskostenvergoeding.
Het hof overwoog dat de enkele betwisting van de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de opsporingsambtenaar onvoldoende is om gerede twijfel te doen ontstaan. Ook het ontbreken van een ambtseed of ambtsbelofte ondertekende verklaring van de ambtenaar leidt niet tot twijfel aan de bewijswaarde van diens verklaring. Het hof benadrukte dat de Wahv niet vereist dat een ambtsedig proces-verbaal wordt overlegd en dat het ontbreken daarvan niet betekent dat de sanctie niet gehandhaafd kan worden.
De verklaring van de ambtenaar, opgenomen in het zaakoverzicht, vermeldde dat de betrokkene tijdens het rijden een iPhone vasthield. De betrokkene ontkende dit, maar het hof vond dat de ontkenning onvoldoende concreet was om twijfel te zaaien. Het hof verwierp ook het argument van de gemachtigde over de vermeende schending van de hoorplicht en matiging van de sanctie. Gezien het voorgaande bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.