ECLI:NL:GHARL:2024:1736

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.332.381
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake vasthouden mobiel tijdens rijden onder Wahv

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €350 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 29 maart 2022 in Den Haag. De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht tevens om proceskostenvergoeding.

Het hof overwoog dat de enkele betwisting van de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de opsporingsambtenaar onvoldoende is om gerede twijfel te doen ontstaan. Ook het ontbreken van een ambtseed of ambtsbelofte ondertekende verklaring van de ambtenaar leidt niet tot twijfel aan de bewijswaarde van diens verklaring. Het hof benadrukte dat de Wahv niet vereist dat een ambtsedig proces-verbaal wordt overlegd en dat het ontbreken daarvan niet betekent dat de sanctie niet gehandhaafd kan worden.

De verklaring van de ambtenaar, opgenomen in het zaakoverzicht, vermeldde dat de betrokkene tijdens het rijden een iPhone vasthield. De betrokkene ontkende dit, maar het hof vond dat de ontkenning onvoldoende concreet was om twijfel te zaaien. Het hof verwierp ook het argument van de gemachtigde over de vermeende schending van de hoorplicht en matiging van de sanctie. Gezien het voorgaande bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.381/01
CJIB-nummer
: 248406713
Uitspraak d.d.
: 11 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 maart 2022 om 07.54 uur op de Jan van der Heijdenstraat in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gronden die de gemachtigde van de betrokkene aanvoert die zouden kunnen leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie laat het hof buiten beschouwing, nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie al vernietigd heeft.
3. De gemachtigde voert aan dat voor de betrokkene niet te controleren is of is voldaan aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. De betrokkene heeft geen toegang tot de betreffende informatie en heeft aldus niet de mogelijkheid om daarover gemotiveerd twijfel te zaaien. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de lijn van het hof over bevoegdheidskwesties van de ambtenaar niet in lijn is met de jurisprudentie van de Hoge Raad en dringt aan op herziening hiervan.
4. Zoals in het arrest van het hof van 23 december 2019 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:10797) is overwogen, is het bestaan van de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, en ook van de bekwaamheid en de betrouwbaarheid van de ambtenaar, in het onderhavige geval een brigadier van politie, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat bepaalde stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald (vgl. voormeld arrest van het hof). Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om zijn uitgezette lijnen hieromtrent te wijzigen.
5. De gemachtigde voert verder aan dat de verklaring van de ambtenaar niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, zodat deze dezelfde bewijswaarde heeft als de verklaring van de betrokkene, die de gedraging ontkent. Daarmee zijn de aanvullende bewijsmiddelen nodig. De gemachtigde merkt daarbij op dat de betrokkene zich afvraagt waarom is afgeweken van wat normaal gesproken beleid is, namelijk dat navraag wordt gedaan bij de ambtenaar. Dit is temeer het geval, nu de verklaring van de ambtenaar niet meer inhoudt dan een standaardtekstsjabloon. Navraag is overigens in deze fase van de procedure niet meer zinvol, aangezien weinig waarde kan worden gehecht aan herinneringen van de ambtenaar aan iets wat zich twee jaar geleden heeft afgespeeld. Reeds hierom moet de betrokkene het voordeel van de twijfel worden gegund. Voorts voert de gemachtigde aan dat het de betrokkene niet mag worden tegengeworpen dat zij de gedraging bij de staandehouding niet duidelijk heeft betwist. Ook voert de gemachtigde nog aan dat uit de rechtspraak van het hof wordt opgemaakt dat het hof ervan uitgaat dat de grens tussen enerzijds bagateldedelicten en niet-bagateldelicten anderzijds is gelegen op de grens waar de Wahv zijn toepassing verliest en de toepassing van het commune strafrecht begint. Die scheidslijn is anno 2023 verwaterd, gelet op de herhaaldelijke en aanzienlijke verhogingen van de sanctiebedragen van verkeersboetes ingevolge de Wahv. Bij een boete van € 359,-, inclusief administratiekosten, kan niet meer gesteld worden dat sprake is van bagatel. Dit leidt ertoe dat de bewijsregels van het hof, die reeds in strijd zijn met bewijsregels die de Hoge Raad hanteert in andere bestuursrechtelijke zaken, moeten worden herijkt, ook omwille van de rechtseenheid.
6. Het hof stelt voorop dat de regelgever bepaalt welke feiten op grond van de Wahv beboet kunnen worden en wat de hoogte van de sanctiebedragen is. Op de feiten die in de bijlage bij de Wahv genoemd worden, is de Wahv van toepassing. Het staat het hof niet vrij om daar van af te wijken. Niet van belang is of een zaak een zogenaamde bagatelzaak is. Daar merkt het hof nog bij op dat in de rechtspraak van het hof de bewoording van wat in de volksmond wordt aangeduid als bagatelzaak, alleen naar voren komt in het kader van de vraag of hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter mogelijk is. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, volgt uit de rechtspraak van het hof niet dat alle Wahv-zaken bagatelzaken zijn, en ook niet dat het antwoord op de vraag of iets een bagatelzaak is, bepalend is voor welke (bewijs)regels van toepassing zouden moeten zijn op de zaak.
7. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal betekent dan ook niet dat de sanctie niet in stand kan blijven en het rechtvaardigt ook geenszins de conclusie dat er getwijfeld moet worden aan de gegevens in het zaakoverzicht.
8. De gemachtigde stelt verder dat de betrokkenen die zich trachten te verweren tegen onrechtmatig danwel onredelijk overheidshandelen niet zelden aangeven dat een omgekeerde bewijslast geldt als sprake is van een Mulderboete. Onder verwijzing naar de conclusies van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, waarin de commissie een dringende oproep doet aan alle staatsmachten om bij zichzelf te rade te gaan, verzoekt de gemachtigde het hof introspectie toe te passen op de onredelijke en/of onevenredige uitwerking die de lijn van het hof in de praktijk met zich brengt.
9. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, is het niet zo dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of de betrokkene specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De betrokkene hoeft dus niet het bewijs van haar onschuld te leveren, maar van de betrokkene mag wel worden verwacht dat zij door middel van concrete feiten en omstandigheden een begin van twijfel aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar aandraagt.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de onderhavige sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens: “Gedragingsgegevens: ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een IPhone met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat in rechterhand tijdens het rijden in een auto. Bij de staandehouding zag ik dat het een Apple IPhone betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: ik werd gebeld en drukte hem weg.”
11. Uit deze verklaring volgt dat de ambtenaar, die de sanctie heeft opgelegd, heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon in haar hand had. De gemachtigde heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Zijn stellingen komen neer op de enkele ontkenning van hetgeen de ambtenaar heeft verklaard en dat is onvoldoende om daaraan te twijfelen. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat deze gegevens niet juist zijn. Anders dan de gemachtigde heeft betoogd, kan op basis hiervan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
12. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde verder heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat er redenen zijn om in dit geval het bedrag van de sanctie te matigen. Het standpunt van de gemachtigde dat ook in zaken waarin een betrokkene wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, die in navolging van het arrest van het hof van 22 november 2022, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2022:9934, tot matiging met het sanctiebedrag dient te leiden, deelt het hof niet. Het hof verwijst daartoe naar wat is overwogen in het arrest van 17 augustus 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:6930. Dat niet op juiste wijze invulling zou zijn gegeven aan de mogelijkheid om schriftelijk te worden gehoord, geeft het hof geen aanleiding in dit geval anders te oordelen.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.