ECLI:NL:GHARL:2024:1782

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
12 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.330.776
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken zekerheid bij snelheidsovertreding

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een snelheidsovertreding niet-ontvankelijk verklaarde vanwege het niet stellen van zekerheid. Hoewel het hof het hoger beroep ontvankelijk verklaarde omdat niet aannemelijk was dat de beroepstermijn was gestart, kon het hof de bezwaren tegen de sanctie niet inhoudelijk beoordelen.

De wettelijke verplichting om zekerheid te stellen voor betaling van de sanctie en administratiekosten is volgens artikel 11 van Pro de Wahv bindend. De kantonrechter had de betrokkene hierover correct geïnformeerd. De verdediging voerde aan dat de brieven slechts informatief waren en ten onrechte als beroepschriften werden aangemerkt, maar het hof oordeelde dat een beroep op artikel 8 van Pro de Wahv als een beroep tegen de sanctie moet worden gezien.

Omdat geen zekerheid is gesteld en dit niet aan de betrokkene kan worden toegerekend, bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen, waarbij het hof verwees naar eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep leidt dus niet tot inhoudelijke beoordeling van de snelheidsovertreding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid en de beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.776/01
CJIB-nummer
: 243913231
Uitspraak d.d.
: 12 maart 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is ZAZA Car Rental B.V., kantoorhoudende te Deventer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in verbinding met de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
2. Blijkens de gedingstukken zou de bestreden beslissing op 6 oktober 2022 aan de betrokkene zijn toegezonden. Hiervan uitgaande eindigde de beroepstermijn op 17 november 2022. Het beroepschrift is gedateerd 19 juli 2023 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op
3 augustus 2023 ter griffie van de rechtbank ingekomen.
3. De gemachtigde voert aan dat zowel de betrokkene als zij de beslissing van de kantonrechter niet heeft ontvangen.
4. In het dossier bevindt zich een afschrift van de beslissing van de kantonrechter met daarop een stempel met verzenddatum 6 oktober 2022. Niet blijkt uit een verzendadministratie of anderszins, dat de beslissing van de kantonrechter daadwerkelijk op 6 oktober 2022 is verzonden. Hetgeen zich in het dossier bevindt is - in het licht van het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie - onvoldoende om de verzending aannemelijk te maken. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen. Het hof acht het hoger beroepschrift van de betrokkene daarom tijdig ingediend. Het hoger beroep van de betrokkene is ontvankelijk.
5. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie
niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.
6. Artikel 11 van Pro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De officier van justitie heeft de betrokkene op juiste wijze geïnformeerd over deze verplichting.
7. De gemachtigde voert aan dat met de brieven in deze procedure beoogd is te informeren over de verhuur van het voertuig (artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv). De brieven zijn ten onrechte steeds aangemerkt als beroepschriften.
8. Anders dan de gemachtigde stelt dient een beroep op artikel 8 van Pro de Wahv te worden aangemerkt als een beroep tegen de sanctie. De kantonrechter kan bezwaren tegen de sanctie pas behandelen wanneer zekerheid is gesteld. De verplichting om zekerheid te stellen loopt niet vooruit op de vraag de sanctie aan de juiste (rechts-)persoon is opgelegd. De verdedigingsmogelijkheden van een betrokkene worden er niet door beperkt. Ook als de betrokkene vindt dat de sanctie niet aan haar had moeten worden opgelegd, dient zekerheid te worden gesteld. Als het beroep gegrond wordt verklaard, wordt het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene terugbetaald. Bij ongegrondverklaring van het beroep wordt het bedrag van de opgelegde sanctie met het bedrag van de zekerheid verrekend.
9. Nu geen zekerheid is gesteld en niet is gebleken dat dit de betrokkene niet kan worden toegerekend, heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Dat brengt mee dat het hof evenals de kantonrechter de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie van € 261,- voor een snelheidsovertreding niet kan beoordelen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.