Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Midden-Nederland van 26 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 juni 2020 om 15:15 uur op de Basisweg in Weesp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De betrokkene kan de gedraging niet verricht hebben, nu hij blijkens de bijgevoegde reishistorie ten tijde van de gedraging in de trein zat. Verder is te de sanctie ten onrechte aan de betrokkene opgelegd. Uit artikel 5 van Pro de Wahv blijkt dat de sanctie aan de bestuurder wordt opgelegd, wanneer aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder is. Aanstonds houdt in: ten tijde van de constatering van de gedraging of kort nadien. De ambtenaar heeft eerst de kentekenhouder gebeld, te weten de vader van de betrokkene. Toen de ouders van de betrokkene aangaven dat hun zoon in de auto gereden zou hebben, heeft de ambtenaar hem geprobeerd te bellen. Pas om 17:38 heeft de ambtenaar de betrokkene telefonisch gesproken, terwijl de gedraging om 15:15 uur is begaan. Hiervan is ook een telefoonhistorie toegevoegd. Van aanstonds vaststellen is dus geen sprake meer en dit betekent dat de sanctie had moeten worden opgelegd aan de kentekenhouder. De gemachtigde wijst in dit kader nog op een arrest van het hof van
15 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1367.
Verklaring betrokkene: ik heb mijn mobiele telefoon in mijn hand gehad, maar ik was er niets mee aan het doen.”
De ambtenaar verklaart dat hij heeft gezien dat de betrokkene bij het passeren een mobiele telefoon in zijn linkerhand hield en door het geopende raam van het voertuig richtte op de plaats van het ongeval. Bovendien heeft de ambtenaar de betrokkene herkend aan de hand van de foto vanuit het RDW en heeft de bestuurder de gedraging telefonisch aan de ambtenaar bekend. Dat de betrokkene de gedraging niet begaan kan hebben omdat hij ten tijde van de gedraging in de trein zat, is niet aannemelijk geworden. Uit de bijgevoegde reishistorie van een ov-chipkaart blijkt niet dat die aan de betrokkene zou toebehoren. Deze grond faalt.
kande sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Gelet op het beginsel dat de administratieve sanctie indien redelijkerwijs mogelijk aan de bestuurder wordt opgelegd, staat het de ambtenaar echter wel vrij om de identiteit van de bestuurder (na onderzoek) alsnog te trachten te achterhalen en de sanctie aan de bestuurder op te leggen. Bovendien heeft de ambtenaar de identiteit van de bestuurder in dit geval wel degelijk aanstonds kunnen vaststellen. Uit de verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal blijkt dat hij de betrokkene kort na de gedraging op een foto van het RDW heeft herkend als bestuurder van het voertuig. Om 15:30 uur heeft de ambtenaar de betrokkene voor het eerst geprobeerd te bellen, 15 minuten na het waarnemen van de gedraging. Dat er op dat moment geen staandehouding heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Het vaststellen van de identiteit van de bestuurder kan immers ook op andere wijze plaatsvinden dan tijdens een staandehouding. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als bestuurder opgelegd. Ook deze grond faalt.
De beslissing
€ 180,-;