Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker, verder te noemen: de man,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 maart 2024 uitspraak gedaan over een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van een beschikking inzake partneralimentatie. De rechtbank Gelderland had eerder de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man een maandelijkse bijdrage van €1.252 bruto aan de vrouw moet betalen, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank en behandelt het verzoek tot schorsing in hoger beroep.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de echtscheidingsbeschikking nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor de vrouw nog geen executoriale titel heeft om de alimentatie af te dwingen. Het hof oordeelt dat de man daardoor geen belang heeft bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de alimentatie.
De man voert inhoudelijke bezwaren aan tegen de hoogte van de alimentatie, onder meer omdat hij meent niet in zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn nieuwe partner te kunnen voorzien. Het hof stelt dat deze grieven niet aan de orde zijn in het schorsingsverzoek, maar in de hoofdzaak zullen worden behandeld. Ook het argument dat de vrouw van een bijstandsuitkering leeft, vormt geen grond voor schorsing.
Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en bevestigt daarmee de uitvoerbaarheid bij voorraad van de alimentatiebeslissing, ondanks het lopende hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de partneralimentatie af omdat de beschikking nog niet is ingeschreven en er geen belang bij schorsing bestaat.