Uitspraak
Laured,
EBCC,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of EBCC het bedrag van €250.000 dat zij van Laured heeft geleend moet terugbetalen, dan wel of EBCC zich kan beroepen op verrekening met een door haar gestelde schadevordering. Daarnaast speelt de vraag of EBCC stukken moet afgeven op grond van artikel 843a Rv.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van Laured af wegens onvoldoende spoedeisend belang. Laured stelde hoger beroep in en wijzigde haar eis, onder meer door het bedrag ook als voorschot te vorderen. EBCC voerde aan dat Laured tekortgeschoten was in haar verplichtingen, waardoor verrekening en opschorting gerechtvaardigd zouden zijn.
Het hof oordeelt dat EBCC onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor haar claim en dat de partner- en intentieovereenkomsten geen verdere verplichtingen van Laured bevatten dan het verstrekken van het bedrag. De vordering van Laured is voldoende aannemelijk en het spoedeisend belang is aanwezig.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt EBCC tot betaling van €250.000, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 1 maart 2023, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van Laured. De vordering tot afgifte van stukken wordt niet toegewezen omdat de geldvordering wordt toegewezen.
Het arrest is gewezen door drie rechters en op 9 januari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: EBCC wordt veroordeeld tot terugbetaling van €250.000 met rente en kosten aan Laured.