Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
4.De omvang van het geschil
:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele familierechtelijke zaak staat de hoofdverblijfplaats van drie minderjarige kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hun ouders centraal. De rechtbank had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de vader ligt en een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen doordeweeks deels bij de moeder verblijven.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en een andere zorgregeling vast te stellen. De vader kwam met een incidenteel hoger beroep gericht op de zorgregeling. Het hof heeft de grieven van de moeder deels verworpen en de beschikking van de rechtbank bevestigd voor wat betreft de hoofdverblijfplaats en de wekelijkse zorgregeling.
Het hof overwoog dat de kinderen sinds 2020 het grootste deel van de tijd bij de vader verblijven, die ook zijn werktijden heeft aangepast aan de zorg. De raad voor de kinderbescherming adviseerde eveneens de hoofdverblijfplaats bij de vader te laten. De zorgregeling werd als uitvoerbaar en passend beoordeeld, ondanks de door de moeder ervaren onrust.
De zorgverdeling tijdens vakanties werd door het hof echter gewijzigd. De vakanties worden gelijk verdeeld met een gedetailleerde regeling voor even en oneven jaren. Feestdagen en verjaardagen worden gevierd bij de ouder waar de kinderen op dat moment verblijven. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd en het overige werd afgewezen.
Uitkomst: Hoofdverblijfplaats blijft bij vader, wekelijkse zorgregeling bekrachtigd, vakanties gelijk verdeeld tussen ouders.