De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 april 2022 om 13:50 uur op de A16 rechts in Prinsenbeek met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de telefoon in de telefoonhouder zat en dat daarom geen sprake was van vasthouden maar van bedienen van het apparaat. Ter onderbouwing van deze stelling is eerder in de procedure een foto van de telefoonhouder overgelegd.
3. Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat luidt:
“ Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
4. De advocaat-generaal stelt in het verweerschrift op basis van de foto van de gedraging en de door de betrokkene overgelegde foto het aannemelijk te vinden dat de telefoon zich op het moment van de gedraging in de houder bevond. De advocaat-generaal is echter van mening dat wel sprake is van het vasthouden en niet enkel het bedienen van de telefoon
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. (…)”
7. Verder bevinden zich in het dossier de foto’s van de gedraging. Op de ingezoomde foto is links onder op de foto de bovenkant van een telefoon te zien. De bovenkant van een vinger van de bestuurder is te zien bij de telefoon.
8. Op de door de betrokkene overgelegde foto is een telefoonhouder te zien op de plaats waar op de foto van de gedraging de bovenkant van de telefoon zichtbaar was.
9. Gelet op de (ingezoomde) foto van de gedraging en de door de betrokkene overgelegde foto houdt het hof het er - evenals de advocaat-generaal - voor dat de telefoon zich ten tijde van de gedraging in de daarvoor bestemde houder op het dashboard bevond.
10. Het hof heeft in de uitspraak van 7 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL: 2018:2186) bepaald dat het met een hand bedienen van een telefoon terwijl deze is geplaatst in een telefoonhouder die is bevestigd op het dashboard, niet onder de bepaling van artikel 61a van het RVV 1990 valt.
11. Naar het oordeel van het hof is - anders dan de advocaat-generaal meent - op basis van de foto’s in dit geval niet vast te stellen of sprake was van het vasthouden van de telefoon of van het (enkel) bedienen van de telefoon. Slechts de bovenkant van een vinger is zichtbaar bij de telefoon. Nu niet kan worden vastgesteld dat de bestuurder van het voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthield, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Hetgeen de gemachtigde verder heeft aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer. Het hof zal als volgt beslissen.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.187,- (= (1 x € 624,- x 0,5) + (2 x € 875,- x 0,5)).