ECLI:NL:GHARL:2024:2188
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag wegens onvoldoende opvoedcapaciteit vader
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de vader tegen de beslissing tot beëindiging van zijn ouderlijk gezag over zijn minderjarige kind. De rechtbank had het gezag beëindigd omdat de vader niet in staat werd geacht de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding van het kind binnen een aanvaardbare termijn te dragen, wat de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigt.
Het hof heeft het geding aangehouden om de vader in de gelegenheid te stellen alle relevante beschikkingen over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in te brengen en zich uit te laten over eventueel deskundigenonderzoek. Na behandeling van de stukken en mondelinge behandeling concludeert het hof dat nieuw onderzoek niet noodzakelijk is.
Het hof neemt het oordeel van de rechtbank over dat de vader onvoldoende opvoedvaardigheden bezit om aan de specifieke behoeften van de minderjarige te voldoen. Uit de stukken blijkt dat de minderjarige een bovengemiddelde opvoedingsvraag heeft en dat de vader niet adequaat kan aansluiten bij deze behoeften. De vader heeft niet concreet aangetoond dat hij zich zodanig heeft ontwikkeld dat hij het gezag weer kan dragen.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank tot beëindiging van het gezag en wijst het meer of anders verzochte af. Het belang van het kind staat voorop, en het hof benadrukt dat de vader wel betrokken moet blijven bij belangrijke zaken in het leven van de minderjarige.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarige wegens onvoldoende opvoedcapaciteit.