In deze civiele zaak staat een burengeschil centraal over de eigendom van een pad tussen twee percelen en de vraag of er erfdienstbaarheden zijn ontstaan door verjaring. De geïntimeerden vorderden primair eigendom van het pad en subsidiair een erfdienstbaarheid ten behoeve van hun perceel. De rechtbank wees de eigendomsvordering af maar kende de erfdienstbaarheid toe op grond van bevrijdende verjaring.
Appellanten stelden in hoger beroep dat ook zij een erfdienstbaarheid door verjaring hadden verkregen ten laste van het perceel van geïntimeerden. Het hof oordeelde dat de eigendom van het pad niet aan geïntimeerden toekomt, omdat de leveringsakte en bijbehorende tekening geen levering van het pad bevatten. Tevens concludeerde het hof dat appellanten onvoldoende feiten hadden gesteld om bezit en daarmee verjaring van een erfdienstbaarheid aan te tonen.
Het hof bevestigde dat de erfdienstbaarheid ten behoeve van geïntimeerden bestaat uit het recht van voet- en kruipad over een strook van 60 centimeter breed op het perceel van appellanten en een rechthoek van 120 centimeter vanaf de gevel van de garage van geïntimeerden. De vorderingen van geïntimeerden tot eigendom van een deel van het pad werden afgewezen. Beide partijen werden veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 26 maart 2024.