De rechthebbende, geboren in 1973, was sinds 2018 onder bewind gesteld wegens problematische schulden en verkwisting. De rechtbank wees een verzoek tot opheffing in februari 2023 af. In hoger beroep verzoekt zij alsnog opheffing van het bewind.
Het hof constateert dat de oorspronkelijke reden voor bewindvoering nog steeds aanwezig is, maar dat voortzetting niet zinvol is gebleken. De samenwerking tussen de rechthebbende en de bewindvoerder verloopt moeizaam, met veel wisselende contactpersonen en geen zicht op een schuldenregeling na bijna zes jaar.
De rechthebbende heeft vertrouwen in een budgetcoach die haar begeleidt en wil dat deze het budgetbeheer overneemt. Het hof acht budgetbeheer in nauwe, persoonlijke samenwerking passender dan het huidige bewind, dat geen grip op de situatie geeft.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor de periode vanaf heden en heft het bewind op, met de verplichting voor de bewindvoerder om binnen twee maanden een eindrekening te overleggen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.