ECLI:NL:GHARL:2024:2439

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 april 2024
Publicatiedatum
10 april 2024
Zaaknummer
Wahv 200.333.064/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens verlopen keuringsbewijs ondanks medische omstandigheden en redelijke termijn

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd wegens het rijden met een voertuig waarvan het keuringsbewijs was verlopen. De overtreding vond plaats op 24 juni 2021. De betrokkene voerde aan dat medische problemen hem verhinderden de APK tijdig te laten uitvoeren en verzocht om matiging van de sanctie. Daarnaast stelde hij dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat onnodige stress veroorzaakte.

De kantonrechter wees het beroep en het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat de medische omstandigheden geen reden geven tot matiging en dat het niet aannemelijk is dat de betrokkene eerder dan de datum van de inleidende beschikking (3 juli 2021) bekend was met de sanctie. De redelijke termijn werd niet overschreden, aangezien de beslissing binnen twee jaar na de overtreding werd genomen.

Het hof wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigde de sanctie. De procedure benadrukte het belang van het tijdig voldoen aan APK-verplichtingen, ook bij persoonlijke omstandigheden, en handhaafde de uitgangspunten rond kennisgeving en redelijke termijn.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €150 en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.333.064/01
CJIB-nummer
: 242143442
Uitspraak d.d.
: 10 april 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 4 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 150,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs geldigheid verloren”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 24 juni 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene is gediagnosticeerd met nekwervelstenose, waardoor hij allerlei uitvalsverschijnselen krijgt. Door vele ziekenhuisbezoeken op het moment dat hij te horen kreeg dat hij te maken had met deze aandoening is hij simpelweg te laat geweest met de APK. Om die reden verzoekt de betrokkene om matiging van de sanctie. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, omdat op het moment dat de betrokkene een brief van de RDW kreeg was aangekondigd dat hij in overtreding was. Het proces heeft langer geduurd dan nodig en dit heeft onnodig bijgedragen aan de stress en onzekerheid van de betrokkene, te meer bezien de aandoening die bij hem is vastgesteld. De betrokkene doet zijn best om de herinneringsbief terug te vinden, maar het is algemeen bekend dat een herinneringsbrief door de RDW standaard verzonden wordt op dezelfde dag als de registercontrole heeft plaatsgevonden. Dit betreft een brief van juni 2021.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij de kantonrechter ook heeft aangevoerd dat de betrokkene vanwege een medische aandoening het voertuig niet heeft kunnen laten keuren. De kantonrechter heeft overwogen dat dit niet een omstandigheid is die aanleiding geeft om het bedrag van de sanctie te matigen. In hoger beroep noemt de gemachtigde een andere diagnose met andere verschijnselen. Los van het feit dat het noemen van een andere diagnose in hoger beroep niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van het verweer, komt het in de kern op hetzelfde neer. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de kantonrechter.
4. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof als volgt. De inleidende beschikking is verstuurd op 3 juli 2021. Over het algemeen wordt die datum bij een sanctie die is opgelegd aan een betrokkene als kentekenhouder als uitgangspunt genomen als moment waarop de betrokkene weet dat aan hem een sanctie is opgelegd, het beginmoment van de redelijke termijn. In deze zaak is geen aanleiding om af te wijken van dat uitgangspunt. Niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene eerder dan met de inleidende beschikking bekend is geraakt met de sanctie en op welke datum dat dan is geweest. Daar merkt het hof bij op dat de gemachtigde namens de betrokkene tijdens de hoorzitting bij de officier van justitie heeft aangevoerd dat de betrokkene geen brief heeft ontvangen van de RDW, wat strijdig is met de grond dat de betrokkene sinds de ontvangst van de brief van de RDW wist dat hij in overtreding was. Bovendien, als zou worden uitgegaan van een brief van de RDW in juni 2021 zoals gesteld, dan heeft de kantonrechter met de uitspraak op 4 mei 2023 binnen een termijn van twee jaar beslist. Het bedrag van de sanctie wordt dan ook niet gematigd met 25 procent.
5. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.