ECLI:NL:GHARL:2024:2456

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2024
Publicatiedatum
11 april 2024
Zaaknummer
200.333.786
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader niet-ontvankelijk in zelfstandig verzoek tot vaststelling zorgregeling in hoger beroep

De vader en moeder zijn gezamenlijk gezaghebbende ouders van twee minderjarige kinderen die sinds november 2022 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling en sinds mei 2023 uit huis zijn geplaatst in een pleeggezin. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij contact van de vader met de kinderen minimaal eens per twee weken twee uur begeleid plaatsvindt, onder regie van de gecertificeerde instelling.

De vader stelde in hoger beroep een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een uitgebreidere zorgregeling, met wekelijkse drie uur begeleide omgang. De gecertificeerde instelling verzocht afwijzing van dit verzoek en handhaving van de rechtbankbeschikking. De moeder steunde het verzoek van de vader.

Het hof oordeelde dat de vader in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek tot zorgregeling had ingediend en op grond van artikel 362 Rv Pro niet voor het eerst in hoger beroep een dergelijk verzoek kan doen. Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek en behandelde het hof de inhoudelijke vraag niet. Het hoger beroep van de moeder wordt in een afzonderlijke beschikking behandeld.

Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandig verzoek tot vaststelling van een zorgregeling in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.786
(zaaknummer rechtbank Gelderland 424632)
beschikking van 11 april 2024
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Zwolle,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.L. Witteveen te Rotterdam.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen (hierna: de rechtbank) van 3 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 oktober 2023 en
- het verweerschrift van de GI met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader en mr. R.W. De Gruijl, waarnemer van mr. De Roo;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de advocaat van de moeder.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2020 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021,
gezamenlijk ook te noemen: de kinderen. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
3.2
Op 21 november 2022 zijn de kinderen (voorlopig) onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 21 februari 2025.
3.3
Tevens is er over de periode van 21 november 2022 tot 21 mei 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen geweest. Bij beschikking van 25 mei 2023 van de rechtbank Overijssel zijn de kinderen met een spoedmachtiging opnieuw uit huis geplaatst. Er is een periode geweest dat sprake was van een structureel deeltijdverblijf in een voorziening voor pleegzorg, maar in de bestreden beschikking is dit gewijzigd in voltijdplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is verlengd tot 21 augustus 2024.
3.4
In een andere beschikking van 3 oktober 2023 heeft de rechtbank de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel vervangen door de GI.
3.5
De kinderen hebben nadat zij op 25 mei 2023 uit huis zijn geplaatst eerst (deels in deeltijd) gewoond bij een ander pleeggezin en op 10 december 2023 zijn zij verhuisd naar het huidige, perspectief biedend, pleeggezin.

4.De omvang van het geschil

4.1
Partijen zijn het niet eens over de invulling van het recht op contact van de vader met de kinderen.
4.2
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank als regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling) vastgesteld dat de kinderen contact hebben met de vader (en de moeder):
minimaal eens per twee weken voor twee uur begeleid, waarbij verder de aard, de frequentie, de duur van de contacten en de wijze van begeleiding worden bepaald door de GI.
4.3
De vader is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de vastgestelde zorgregeling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking op dat punt te vernietigen en het verzoek van de GI alsnog af te wijzen en in plaats daarvan een minimale zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen elke week drie uur begeleide omgang hebben met hem, waarbij uitbreiding onder regie van de GI zal plaatsvinden, althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht.
4.4
De GI voert verweer en vraagt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
4.5
Op de mondelinge behandeling is namens de moeder naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek van de vader.
4.6
Ook de moeder heeft tegen de bestreden beschikking hoger beroep ingesteld (zaaknummer 200.335.398). In dat hoger beroep beslist het hof ook vandaag, bij afzonderlijke beschikking.

5.De motivering van de beslissing

De vader heeft in eerste aanleg alleen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI om een minimale zorgregeling vast te stellen. De vader heeft bij de rechtbank niet zelf een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling gedaan. Gelet op artikel 362 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan hij niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek doen. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Dat betekent dat het hof het verzoek in hoger beroep van de vader niet inhoudelijk kan behandelen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en
A.E. Grosscurt en is op 11 april 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.